Dutch language English language

Voorproefjes - De prijs van een neushoorn zonder hoorn (nr. 3/2005)

 

De prijs van een neushoorn zonder hoorn

Het oogsten van olifanten, walvissen en regenwouden levert geld op. Soms kan het echter uit om dat juist niet te doen. Kolossen trekken toeristen aan en een bos slaat koolstofdioxide op. Dat vraagt om een kosten-batenanalyse: kappen, of juist niet? Schieten, of juist niet? Een lastig vraagstuk, want het begrip ‘waarde’ heeft vele kanten.

Nienke Beintema

“Natuurbescherming is steeds meer een kwestie van economische afwegingen”, meent dr Erwin Bulte, econoom en associate professor aan de Universiteit van Tilburg. “Ik begrijp dat mensen daar onwennig tegenover staan, maar het is nu eenmaal zo.” Bulte schreef het boek Essays in Economics of Renewable Resources, en is mede-auteur vanThe economics of Nature: Managing Biological Assets. Van de ontbossing van het regenwoud tot walvisjacht en ivoorsmokkel, Bulte heeft eraan gerekend.

“Soms is het uit natuurbeschermingsoogpunt goed dat de plaatselijke bevolking op beperkte schaal op olifanten jaagt”, zegt hij. “Dat genereert inkomsten, waardoor het voor die mensen de moeite waard is om een gebied als olifantenhabitat te bewaren. Anders zouden ze overal onmiddellijk uien en tomaten gaan verbouwen. Dat de olifanten daaronder zouden lijden, weegt voor hen niet mee.” De mensen die het erg vinden dat olifanten verdwijnen, zijn vaak de rijke inwoners van westerse landen. Ze gaan niet alleen graag in Afrika op safari, maar scheppen ook genoegen in de wetenschap dat er olifanten rondlopen op de Afrikaanse savanne, zelf als zij zelf duizenden kilometers verderop wonen. Deze mensen hebben dus baat bij het bestaan van olifanten, al profiteren ze er niet direct van. “Dit heet de existence value van een olifant”, legt Bulte uit. “Die kun je simpelweg meten door mensen te vragen hoeveel ze bereid zouden zijn te betalen voor het voortbestaan van de olifanten. Misschien is dat vijftien euro per jaar, of honderd euro. De kunst is om dat geld dan ook werkelijk bij elkaar te krijgen.”

Dat soort initiatieven bestaat, maar slechts op beperkte schaal. Meestal draaien de arme plaatselijke bewoners op voor de kosten van natuurbescherming. Zij maken directe beheerskosten of missen inkomsten doordat ze in een nationaal park niet meer mogen kappen of jagen. Moderne natuurbescherming, meent Bulte, kan echter niet heen om de belangen van de lokale bevolking. Niet alleen uit menselijke overwegingen, maar ook in het belang van natuurbescherming. Veel van ’s werelds illegale houtkap en stroperij gebeurt door plaatselijke bewoners, die moeite hebben brood op de plank te krijgen.

“Ook trofeejacht kan gunstig zijn voor een gebied”, zegt hij. “Er zijn toeristen die letterlijk tienduizenden dollars neertellen om een olifant te mogen schieten. Als dat geld ten goede komt aan het behoud van het gebied, en dus aan de rest van de olifanten, dan is dat prima. Wel moet die jacht natuurlijk aan zeer strenge eisen voldoen. Je kunt bijvoorbeeld maar een beperkt aantal volgroeide mannetjes schieten.”

Kyoto

Economische overwegingen spelen ook een rol bij het beheer van het tropisch regenwoud. Het kappen van een bos levert niet meer op dan de opbrengst van het hout en van de – vaak slechts kort bruikbare – landbouwgrond. Aan de andere kant vervult een ongerept bos allerlei functies die stuk voor stuk geld opleveren, en die verloren gaan als het bos wordt gekapt. Het bos levert bijvoorbeeld vruchten, wild en producten als rotan en bamboe. Daarnaast is het een gigantische, nog grotendeels onbeschreven genetische databank met grote potenties voor de farmaceutische industrie. Het woud biedt mogelijkheden voor ecotoerisme. Ten slotte zijn er, hoewel veel moeilijker te meten, de zogenaamde ‘ecosysteemdiensten’ die het bos verleent, zoals het vashouden van vruchtbare grond, het zuiveren van drinkwater, het produceren van zuurstof en het vastleggen van koolstofdioxide, een belangrijk broeikasgas. Een team van Braziliaanse en Amerikaanse ecologen heeft uitgerekend dat de koolstofopslag van alleen al het Amazonewoud jaarlijks twee- tot driehonderd miljard dollar waard is.

 “Dit soort berekeningen is ongelooflijk ingewikkeld”, waarschuwt Bulte. “Het enige wat je kunt doen, is uitrekenen hoeveel het zou kosten om de koolstof op een andere manier uit de atmosfeer te halen. Dat is dan ook wat deze onderzoekers doen. De andere kant, de prijs die je uiteindelijk betaalt als je het broeikaseffect NIET inperkt, is onmogelijk eenduidig te berekenen. Daarvoor zijn de klimaatmodellen nog veel te onzeker.”

Shane Rattenbury, van oorsprong econoom maar nu hoofd van de bossen- en de oceanencampagnes van Greenpeace International, is het daar roerend mee eens. Bovendien vindt hij het toekennen van een waarde aan de opnamecapaciteit van het regenwoud eigenlijk niet relevant. “Wat betekenen die getallen nu helemaal? Waar zijn ze op gebaseerd? En al die miljarden en zelfs triljarden dollars maken de mensen alleen maar onverschillig: alsof er toch wel genoeg bos is en er best wat vanaf kan.”

Wetenschappers hebben berekend wat de kosten zijn van het nakomen van het Kyotoprotocol. Daarin hebben landen afgesproken dat ze hun koolstofuitstoot vóór het jaar 2012 met zo’n vijf procent zullen verminderen ten opzichte van het niveau van 1990 - wat overeenkomt met een vermindering van dertig procent ten opzichte van het voorspelde niveau van 2010, als er niets verandert. De schattingen van de kosten lopen uiteen van zo’n driehonderd tot zevenhonderd miljard dollar. Voor de EU komt dat neer op een jaarlijkse investering van 0,1 tot 0,5 procent van het bruto nationaal product, grofweg een à twee broden per persoon per maand. Een kleine investering, menen natuurbeschermers. Toch best een grote investering, menen economen.

Ranglijst

Dit debat werd onlangs stevig aangezwengeld door de controversiële Deense econoom dr Bjørn Lomborg, die in 2001 internationaal furore maakte met zijn boek The Skeptical Environmentalist. Hierin bestrijdt Lomborg de algemeen heersende ideeën over natuur- en milieutrends, zoals dat het klimaat opwarmt en dat planten en dieren in snel tempo uitsterven. Hij beargumenteert aan de hand van statistische en economische analyses dat de wereld er nooit beter aan toe is geweest dan nu. Time Magazine riep Lomborg in april 2004 uit tot een van de honderd meest invloedrijke denkers van onze tijd.

“Economische modellen weerspiegelen aannamen, en die weerspiegelen op hun beurt weer waarden, projecties en ideologieën”, meent Rattenbury. “Lomborg gebruikt heel andere aannamen dan bepaalde andere wetenschappers doen.” Hij neemt bijvoorbeeld aan dat de technologische ontwikkelingen snel genoeg zullen gaan om de achteruitgang van het milieu tegen te gaan. Zo wijst hij op technologieën die het mogelijk maken alle koolstofdioxide uit schoorsteenpijpen op te vangen, en zelfs koolstofdioxide onder de grond op te slaan. “Hij vergeet daarbij drie dingen”, zegt Rattenbury: “Deze technologieën bestaan nu nog niet, terwijl we er al wel een voorschot op nemen. Verder zullen ze ongelooflijk kostbaar zijn. Ten slotte weten we nog niets over de lange-termijnvooruitzichten van dergelijke oplossingen. Komt die koolstofdioxide uiteindelijk toch niet gewoon in het milieu terecht? En hoe reageert de aarde eigenlijk op grootschalige ondergrondse koolstofopslag?”

In 2004 organiseerde Lomborg de zogenaamde Copenhagen Consensus. Hij liet acht topeconomen, onder wie drie Nobelprijswinnaars, een week lang discussiëren over de problemen van de wereld. Ze namen onder meer HIV/AIDS, ondervoeding, handelsliberalisering en het broeikaseffect onder de loep. De wetenschappers stelden aan de hand van economische modellen een lijst op van prioriteiten waar overheden gezamenlijk in zouden moeten investeren. Op het lijstje stond HIV/AIDS bovenaan, gevolgd door ondervoeding en handelsliberalisering. Helemaal onderaan het lijstje stond het broeikaseffect, op nummer zeventien. “Dit is de ranglijst als het alleen om economie zou draaien”, schrijft Lomborg in het tijdschrift Internationale Samenwerking. “Vervolgens is het aan politici om keuzen te maken en die te beargumenteren. Zij kunnen zeggen: nummer één ligt politiek te gevoelig, nummer twee bevalt me niet, dus kies ik voor nummer drie. Kiezen ze voor nummer zeventien? Prima, maar dan moeten ze wel met heel goede politieke argumenten komen. En die heb ik nog niet gehoord.”

Econoom Erwin Bulte: “Ik heb het werk van Lomborg niet in detail bestudeerd, en er is zeker wat aan te merken op zijn radicale presentatie. Maar hij heeft absoluut een punt: je moet kijken hoeveel het voorkómen van het betalen van een toekomstige prijs, bijvoorbeeld het investeren in schone technologie om de toekomstige kosten van het broeikaseffect te beperken, in het heden mag kosten om de moeite waard te zijn. Je zult er versteld van staan hoe snel een investering niet de moeite waard is.” Hij laat een tabel zien waarmee je toekomstige kosten kunt projecteren op het heden. “Stel, je haalt een rendement van tien procent uit investeringen die je nu doet. Dat is een realistisch rendement. Dan zie je, puur wiskundig, dat als je moet kiezen tussen over vijftig jaar één euro betalen, of vandaag één cent investeren om dat te voorkomen, het goedkoper is om dan maar in de toekomst die ene euro te betalen. En dat is ook precies wat we nu doen met het Kyotoprotocol.”

Veel natuurbeschermers menen echter dat de uiteindelijke kosten van klimaatverandering vele malen hoger zullen uitvallen dan men nu veronderstelt, en dat we bovendien het voorzorgsprincipe moeten hanteren. Als de klimaatverandering doorzet volgens de voorspellingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change, zal de gemiddelde temperatuur de komende eeuw tot ruim vijf graden toenemen en zal het zeeniveau tien tot negentig centimeter stijgen.“Ik ben ervan overtuigd dat daarmee vergeleken de kosten van AIDS volslagen onbeduidend zullen zijn”, meent Rattenbury. “We krijgen te maken met ondergelopen kustgebieden, veel meer extreme gebeurtenissen zoals wervelstormen, droogte en hittegolven, en bovendien een enorme toename aan ziekten als malaria en cholera. Daar houdt Lomborg allemaal geen rekening mee in zijn modellen.”

Walvisvangst

Toch gebruikt ook Greenpeace steeds vaker economische argumenten in haar campagnes. De onderwerpen die de organisatie op die manier aanpakt, zijn echter eenvoudiger dan het veelbevochten klimaatprobleem. Zo rekende Greenpeace uit dat walvissen voor een land als IJsland levend meer waard zijn dan dood. “IJsland heeft de laatste jaren zo’n tweehonderdvijftig walvissen per jaar gedood, voornamelijk dwergvinvissen maar ook noordse en gewone vinvissen. Bij elkaar levert dat jaarlijks zo’n vier miljoen dollar op”, vertelt Rattenbury. Dat lijkt veel, maar valt in het niet bij de opbrengsten van toerisme. Zou het niet zo zijn, dacht Greenpeace, dat de walvisvangst mensen ervan weerhoudt naar IJsland met vakantie te gaan? De organisatie zette een wereldwijde internetcampagne op waarbij mensen de intentie kunnen uitspreken naar IJsland op vakantie te gaan, onder de voorwaarde dat het land stopt met de walvisvangst. “Tot nu toe hebben meer dan 63.000 mensen die intentie kenbaar gemaakt”, zegt Rattenbury. “Als die allemaal daadwerkelijk naar IJsland met vakantie zouden gaan, levert dat al gauw zo’n 75 miljoen dollar op. Veel meer dus dan de walvisvangst. En zelfs als maar een kwart van de mensen werkelijk zou gaan, dan zou het nog uitkunnen.”

Aanvankelijk wierp de IJslandse regering tegen dat toerisme en walvisvangst best samen kunnen gaan. Veel mensen geven echter aan dat ze niet graag een walvissafari maken als ze weten dat er op datzelfde moment om de hoek op walvissen wordt gejaagd. Of het nu door de campagne komt of door een andere oorzaak, Rattenbury weet het niet, maar vorig jaar ving IJsland nog slechts 25 walvissen. “De campagne loopt nog steeds”, voegt hij toe. “En ik heb er vertrouwen in dat veel mensen daadwerkelijk naar IJsland op vakantie zullen gaan als de vangst in zijn geheel stopt.”

Het blijft een lastige materie, vinden zowel Rattenbury als Bulte. Ook al is een bos het meeste waard als je het laat staan, timmerhout moeten we ergens vandaan halen. Duurzaamheid is, zeker met de groeiende wereldbevolking en de toenemende industrialisatie, wellicht een utopie. “Het is goed dat niet alleen economen het voor het zeggen hebben”, lacht Bulte. “Het maximaliseren van economisch voordeel is iets anders dan het streven naar een duurzame samenleving.”

Kader: Hoeveel is een mens waard?

De economische modellen zijn duidelijk: als je maar ver genoeg in de toekomst kijkt, is alles wat je vandaag investeert in natuurbescherming, teveel. Dat vraagt om moeilijke ethische afwegingen. Wie vinden we belangrijker: onze kindskinderen, of onszelf? Een Europeaan, of een Afrikaan? Ook de begroting voor ontwikkelingssamenwerking berust op dergelijke afwegingen. We maken tien miljoen euro over voor de tsunamislachtoffers, maar besteden zelf vijf miljard aan de Betuwelijn. We spenderen tienduizenden euro’s om een Nederlander een microchirurgische hersenoperatie te laten ondergaan, maar we piekeren er niet over om datzelfde bedrag uit te geven aan een zieke Afrikaan. Dat zou ook niet efficiënt zijn, berekende het dream team van Bjørn Lomborg: voor gemiddeld 63 dollar kun je een Afrikaans leven redden. Schoon drinkwater voor een heel dorp kost een paar euro per dag. Met het geld van die hersenoperatie kun je dus duizenden Afrikanen redden.

In economisch opzicht is iemand uit Europa meer waard dan iemand uit Afrika. De eerste levert een grotere bijdrage aan de wereldeconomie dan de tweede. Daar staat tegenover dat de eerste een veel zwaarder beroep doet op natuur en milieu.

Lomborg schrijft in Internationale Samenwerking: “Ik maak mensen boos omdat ik ze confronteer met de keuzes die we maken. Laat me een voorbeeld geven. In Denemarken vallen vijfhonderd verkeersslachtoffers per jaar. Dat aantal zouden we gemakkelijk tot nul kunnen reduceren door de maximumsnelheid te verlagen tot twintig kilometer per uur. Dat doen we natuurlijk niet. We staan dus toe dat er mensen doodgaan zodat u en ik sneller bij onze oma’s zijn. Maar dat horen we liever niet, dat voelt ongemakkelijk. Precies hetzelfde gebeurt met ontwikkelingshulp. Het budget is beperkt, dus maken we keuzes. Dat komt hard aan; het is mooier om iedereen te helpen. Maar in feite pakt mijn rationele benadering rechtvaardiger uit dan de huidige praktijk.”

Kader: Voorraden ivoor en neushoornhoorn

De economie van de handel in bedreigde diersoorten is vaak een vicieuze cirkel. Hoe zeldzamer een dier, hoe hoger de prijs, hoe gewilder het dier, hoe hoger de jachtdruk. Er zijn zelfs malafide handelaars in Afrika die daarop inspelen, schrijft dr Erwin Bulte in het tijdschrift Land Economics. Ze leggen een grote voorraad neushoornhoorns aan, en betalen stropers vervolgens om de neushoornpopulatie in dat gebied zo snel mogelijk uit te roeien. Zelfs dieren zonder hoorn schieten de stropers neer. Zo brengen ze het dier op de rand van uitsterven en drijven ze de prijs van hoorn omhoog. De handelaren kunnen hun voorraden dan in de toekomst duurder verkopen.

In de jaren 1970-’80 nam de Afrikaanse olifantenpopulatie door intensieve jacht af van zo’n 1,2 miljoen naar 600.000 exemplaren. In 1997 besloten de landen die zijn aangesloten bij de Convention on the International Trade in Endangered Species (CITES) dat het zo niet langer kon, en ze stelden een totaalverbod in op de handel in ivoor. Zonder dat verbod, berekende Bulte, waren de Afrikaanse olifanten ten dode opgeschreven geweest. Wel staat of valt het succes van een verbod met het naleven ervan. Tachtig procent van de handel in de jaren 1970-’80 was immers illegaal, aldus het Wereldnatuurfonds. En er zijn economen die beweren dat handel voor de mensen juist een drijfveer is om de olifantenpopulatie in stand te houden als waardevolle inkomstenbron. Een verbod zou illegale handel alleen maar doen toenemen.

Sommige Afrikaanse landen, zoals Botswana, Namibië en Zuid-Afrika, hebben grote voorraden ivoor, vaak tientallen tonnen, die in beslag zijn genomen of afkomstig zijn van olifanten die een natuurlijke dood stierven. Die voorraden willen ze graag legaal verkopen aan bijvoorbeeld China of Japan. Met een opbengst van zo’n honderd dollar per kilo zou zo’n eenmalige verkoop alleen al Zuid-Afrika zo’n drie miljoen dollar opleveren. Laten liggen is zonde, menen sommigen. Anderen vrezen dat zo’n eenmalige verkoop de illegale handel weer zou aanwakkeren: er is immers weer een markt. Bulte en zijn collega’s onderzochten of dat zo zou zijn. “In 1999 is er al zo’n verkoop geweest. We onderzochten de hoeveelheid in beslag genomen ivoor en de hoeveelheid gevonden olifantenkarkassen, beide een maat voor de illegale jacht. Ook keken we naar de vraag naar ivoor, die te meten is aan de hand van de marktprijs. We zijn nog niet klaar met het onderzoek, dus ik kan er niet met zekerheid iets over zeggen, maar we hebben de indruk dat eenmalige verkoop niets uitmaakt.”


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign