Dutch language English language

Voorproefjes - Landschap met sterallures (nr. 10/2005)

 

Een deskundige commissie heeft honderd Nederlandse landschappen beoordeeld op onder meer natuur-, cultuur- en belevingswaarde. Twee landschappen kregen maar liefst vijf sterren: de Drentsche Aa en het Geul- en Gulpdal. Maar wat maakt deze beekdalen nu zo bijzonder? Een van de fijnproevers geeft uitleg in Zuid-Limburg.

door Nienke Beintema

“Is het niet een beetje raar? Sterren toekennen aan natuurgebieden en landschappen? Wij vinden van niet. Waarom zou je films, concerten, boeken, restaurants en gebouwen wel kritisch kunnen beoordelen, maar natuurgebieden en landschappen niet?” Zo begint de inleiding van het boek MooiLand– 100 natuurgebieden getest, dat half augustus werd uitgebracht door Natuur en Milieu. Deze Michelingids onder de natuurgidsen neemt honderd Nederlandse landschappen onder de loep en heeft aan vijftig ervan sterren toegekend. “Er bestaat natuurlijk al een heel scala aan mooie boeken over de Nederlandse natuur”, zegt ir Ben Hermans, beleidsmedewerker bij Natuur en Milieu, “maar geen daarvan zet natuurgebieden systematisch en kritisch op een rijtje. Dat maakt dit boek zo bijzonder.”

De gebieden zijn beoordeeld door een groot aantal regionale ‘inspecteurs’, onafhankelijke deskundigen die de betreffende gebieden op hun duimpje kennen. Daarnaast hebben omwonenden hun stem kunnen uitspreken via een grootschalig onderzoek naar belevingswaarde. Hermans, specialist op het gebied van waterbeheer en landschapsinrichting, heeft bijgedragen aan de toetsing van de gebieden en de toedeling van de sterren. Vijf sterren vielen er te verdienen: voor ecologische waarde, cultuurhistorische waarde, recreatieve waarde, beleving en de mate waarin het landschap uniek is voor Nederland. De meeste gebieden kregen twee of drie sterren; enkele, zoals Schiermonnikoog, de Hoge Veluwe en het Dwingelderveld, kregen er vier. De vijfsterrenstatus bleek slechts weggelegd voor twee landschappen: de Drentsche Aa en het Geul- en Gulpdal.

Graften en holle wegen

“Hier zie je prachtig hoe de Gulp ongehinderd meandert”, wijst Hermans. We staan aan een bosrand bij het dorpje Beutenaken, zo’n twintig kilometer ten zuidoosten van Maastricht. Beneden ons kronkelt het riviertje de Gulp, dat zich in de loop van tienduizenden jaren in het Limburgse lössplateau heeft ingesneden. “Let eens op het verschil tussen de beide zijden van het dal”, zegt Hermans. “Aan deze kant is de helling steil en bebost, terwijl de overkant bestaat uit glooiende akkers met graan. Dat heeft te maken met de manier waarop de rivierloop zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Het landschap is daardoor erg gevarieerd.” De akkers liggen op kleine terrassen die door steile randen, of graften, van elkaar worden gescheiden. De graften, vertelt Hermans, zijn min of meer vanzelf ontstaan doordat percelen ophielden waar de helling te steil was om te bewerken. De akkers werden geleidelijk geëgaliseerd, wat de graften accentueerde. Tegenwoordig zijn ze een typisch Limburgs landschapselement, en worden ze niet meer gladgeschaafd maar zorgvuldig gekoesterd.

“Opvallend is dat de enige twee vijfsterrenlandschappen allebei beekdalen zijn”, vervolgt Hermans, zelf geboren en getogen in deze omgeving. “Kennelijk vinden mensen beekdalen met meanderende stroompjes mooier dan andere landschappen. Het blijft natuurlijk subjectief.” Begrijpelijk is het zeker. Beekdalen zijn zowel landschappelijk als qua natuur erg afwisselend. De steile hellingen, zoals hier in Limburg, zijn moeilijk te ontginnen en daardoor relatief ongerept. Al met al hebben beekdalen vaak een unieke flora en fauna. In het stroomgebied van Geul en Gulp voelen zeldzame soorten als vuursalamanders en vroedmeesterpadden zich thuis, evenals orchideeën en zinkviooltjes.

Bij een voorde, een doorwaadbare plaats, steken we het snelstromende riviertje over. “Hier zitten forellen”, zegt Hermans, “en je komt regelmatig ijsvogels tegen of een grote gele kwikstaart. In de steile beekwanden broeden oeverzwaluwen.” Het pad loopt steil de helling op door een goot die meer dan twee meter diep is en evenzo breed. Dit is een mooi voorbeeld van een holle weg, nog zo’n typisch Limburgs verschijnsel. In de loop der eeuwen hebben karrenwielen, koeienhoeven en regenwater het pad uitgeslepen tot een diepe geul. Aan weerszijden groeit een haag van meidoorn, es en haagbeuk. “Dergelijke hagen dienen van oudsher als afscheiding tussen percelen”, vertelt Hermans, “maar door ruilverkavelingen en verwaarlozing zijn veel van de hagen verdwenen. Gelukkig gaat men ook hier tegenwoordig weer zorgvuldiger mee om.” Boeren kunnen nu met subsidie nieuwe meidoornhagen aanplanten. Het probleem is dat het onderhoud erg arbeidsintensief is. Als hagen niet regelmatig worden gesnoeid, vallen ze op den duur uiteen. Dat is niet alleen uit esthetisch oogpunt jammer. Hagenen houtwallen vormen voor dieren zoals padden, muizen en egels veilige onderkomens en verbindingsroutes, en voor kleine zangvogels zijn ze een ideale nestelgelegenheid.

Razende motoren

“De wandelpaden zijn hier dik in orde”, merkt Hermans op. “Ook dat heeft meegespeeld in de beoordeling. Je kunt de drukte van de asfaltwegen ontwijken.” En dat is ook wel nodig. Zelfs middenin het bos zijn de motoren te horen die over de weg tussen Gulpen, Slenaken en Epen razen. Hier loopt de Mergellandroute, een populaire auto- en motorroute die vooral in het zomerseizoen afgeladen druk is. Hotels en restaurants, hoewel vaak in mooie vakwerkstijl, zijn er in overdaad. In de gids MooiLand lijkt dat een pluspunt te zijn: recreatieve voorzieningen zorgen ervoor dat een gebied hoger scoort. De natuurliefhebber die liever zijn eigen boterham en thermos meeneemt, zal er anders over denken. Ook ontbreken fietspaden. Wielrijders moeten op de asfaltweg flink uitkijken. Wat dat betreft heeft de Drentsche Aa meer stilte en afgelegen wildernis te bieden. “Voor wandelen is dit gebied het meest geschikt”, vindt ook Hermans. “Je mag vaak dwars door de weilanden lopen, over de oude kerkenpaden. Dat is een recht dat uit vroeger tijden stamt.” Voor de draaihekjes tussen de weilanden hebben de Limburgers een speciale naam: stegel.

Het wandelpad brengt ons in een donker gedeelte van het bos, waar oude beuken en eiken domineren. Hier en daar staat een wilde kersenboom. Dode bomen staan en liggen her en der te rotten. Ze worden niet opgeruimd: ze vormen een bron voor nieuw leven, zoals paddenstoelen, mossen en insectenlarven. De laatste zijn onder meer waardevol voor spechten. Zelfs de zeldzame middelste bonte specht, waarvan er in Nederlandslechts enkele tientallen paren broeden, komt hier voor. Hermans, zelf een enthousiaste vogelaar, heeft er echter nog nooit een in dit gebied kunnen ontdekken.

 We lopen verder, de helling af richting de weilanden. Hier is het bos opener en lichter. “In het voorjaar is hier een rijke ondergroei van bosanemonen en salomonszegel. Kijk, daar staan een paar uitgebloeide aronskelken.” De felrode, giftige besjes steken scherp af tegen de groene bosgrond. Als we goed kijken zien we een paar smalle paadjes door de vegetatie lopen. Het zijn wildwissels. Hermans: “Hier komen reeën voor, en heel af en toe zwerven er verdwaalde wilde zwijnen rond die uit de Ardennen komen. En als ik me niet vergis, moet hier ergens een dassenburcht zitten.” Hij loopt speurend de bosrand af, op zoek naar de typerende holen met een grote zandhoop ervoor. “Daar heb je er een”, wijst hij. “Moet je kijken wat een enorme pijp. Zo te zien is deze burcht in gebruik.” Voor de ingang ligt vers nestmateriaal. De berg puin die de das de burcht heeft uitgewerkt, bevat niet alleen zand maar ook flinke keien. In sommige van de leemkluiten zijn sporen van nagels te onderscheiden. Zelf laat de ijverige graver zich niet zien: die slaapt overdag. Hij komt pas tegen de schemering tevoorschijn om zich in het aangrenzende weiland tegoed te doen aan insecten, slakken en regenwormen.

Carboongesteenten

De overgang tussen het bos en het weiland is geleidelijk. Bomen maken plaats voor struiken en ruig kreupelhout. Hier zet Staatsbosbeheer grote grazers in om de weiden open te houden. “Toch zie je dat de randen en de open plekken in het bos steeds meer verruigen”, zegt Hermans. “Sommige mensen vinden dat jammer, maar je kunt ook verdedigen dat een beperkte mate van verruiging goed is voor de diversiteit. In de braamstruiken zitten hier bijvoorbeeld hazelmuizen. Die vind je in Nederland nergens anders, behalve in het Savelsbos bij Maastricht.” Staatsbosbeheer is niet de enige beheerder in het Geul- en Gulpdal. Ook Stichting het Limburgs Landschap (een van de twaalf Provinciale Landschappen) en Vereniging Natuurmonumenten hebben gedeelten in beheer. De drie organisaties doen dat volgens Hermans in goed overleg.

Al met al gaat het goed met de natuur in de beekdalen. De waterkwaliteit is sterk verbeterd door strengere mestwetgeving en er is meer aandacht voor de kleinschalige landschapselementen, zoals hagen, hoogstamboomgaarden en drinkpoelen voor het vee. Daardoor neemt de rijkdom aan flora en fauna toe. “Toch blijft er natuurlijk nog wel wat te wensen over”, stelt de landschapsdeskundige. “Echt donker wordt het in het bos nooit, want je ziet altijd de gloed van Maastrichten Aken. Er is vrij veel geluidsoverlast, zoals overigens vrijwel overal in Nederland. En de zorg voor de kleinschaligheid kanaltijd beter. Er is veel achterstallig onderhoud.”

Uniek voor Nederland is het gebied zeker. Dat zorgde voor de vijfde ster in de beoordeling van Natuur en Milieu. Hermans: “Kijk maar om je heen: zo’n geschakeerd landschap zie je echt alleen hier. Graften, voorden en holle wegen maken het gebied extra bijzonder.” Ook de kapelletjes en de versierde Christuskruizen langs de weg zijn typerend. En dan is er nog de afwisseling tussen löss, mergel en leem, en het contrast tussen de hoger gelegen plateaus en de diep ingesneden beekdalen. Ook de geologische geschiedenis is uniek: “Bij de Heimansgroeve, even verderop, liggen gesteenten aan de oppervlakte die uit het Carboon dateren. Ze zijn 300 miljoen jaar oud.”

De handschoen oppakken

Natuur en Milieu is van plan elk jaar een herziene versie van de gids MooiLand te publiceren, met een nieuwe beoordeling voor elk gebied. Hermans realiseert zich dat dat erg ambitieus is. Of er direct volgend jaar een nieuwe uitgave komt, betwijfelt hij: “Het uitbrengen van deze gids heeft al veel tijd en energie gekost. Honderden mensen hebben gebieden beoordeeld, vragenlijsten ingevuld en gegevens uitgewerkt en geanalyseerd. Het zou onmogelijk zijn dat elk jaar te doen. Bovendien vraag ik me af wat de meerwaarde zou zijn. En je moet zo’n project niet te vaak uitvoeren, want anders verliest het aan kracht.”

Toch was het boek allerminst een eenmalige uitgave. Natuur en Milieu is vastbesloten er een vervolg aan te geven. Daarmee hoopt de stichting een van de belangrijkste doelstellingen van het project te bereiken: dat beheerders hun uiterste best gaan doen om in de toekomst wél die derde of die vierde ster te halen. “Dat is het goede aan het competitieve aspect van MooiLand”, meent Hermans. “Bestuurders en beheerders weten vaak precies waar het aan schort, en kunnen heel gericht proberen hun gebied beter te laten scoren. Je ziet dat nu al gebeuren. We hebben al van verschillende kanten signalen gekregen dat men de handschoen heeft opgepakt. Dat is prachtig om te zien.”

Ook al heeft Hermans zijn hart aan het gebied verpand, toch blijft hij kritisch. Hij benadrukt nogmaals dat er ook voor Geul en Gulp nog winst te boeken valt. “Juist doordat je een gebied zo goed kent en het zo’n warm hart toedraagt, zie je de zwakke plekken.” Terwijl hij terugloopt richting de kronkelende Gulp, wijst hij naar de grazige helling. “Kijk: je ziet wilde marjoraan, duifkruid en tormentil, en in het voorjaar bloeien er zelfs sleutelbloemen. Maar orchideeën vind je hier nauwelijks meer.” In de Drentsche Aa, het andere topgebied uit MooiLand, zijn die door een strikt maaibeleid op spectaculaire wijze teruggekeerd. Wie weet lukt dat ook hier. Maar orchideeën of niet, voor Hermans blijft het Zuid-Limburgse beekdal favoriet. Op het dorpsplein van Gulpen, aan de ruisende beek, brengt hij een toast uit op de toekomst ervan. Met, hoe kan het ook anders, een glas goudgeel Gulpener bier.

 

Boekgegevens: MooiLand– 100 natuurgebieden getest, door diverse auteurs. Veen Magazines i.s.m. Stichting Natuur en Milieu, Diemen, 2005, ISBN 9085710022, € 14,95


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign