Dutch language English language

Voorproefjes - Doodgriezelig (nr. 2/2007)

 

Jaarlijks duiken er nieuwe infectieziekten op. De meeste zijn ongevaarlijk, maar sommige beslist niet. Experts vrezen dat we steeds kwetsbaarder worden, onder meer door overbevolking, intensieve landbouw en klimaatverandering. Is ons noodlot bezegeld?

Nienke Beintema

Het stadje Cedar Creek in Californië wordt door het leger bewaakt. Niemand mag erin of eruit. Binnen de afzetting is de hel losgebroken: het Motaba-virus waart rond. Honderden mensen zijn dood of stervend. De symptomen zijn weerzinwekkend: wat begint als een simpele verkoudheid, ontwikkelt zich binnen een dag tot een nachtmerrie van koorts, pijn en hevige krampen. Slijm en bloed stromen uit alle lichaamsopeningen. De dood, die onherroepelijk volgt, is een verlossing. De organen van de overledenen blijken te zijn verworden tot één bloederige massa.

De Amerikaanse overheid besluit het hele stadje met een bom van de aardbodem weg te vagen, voordat het virus de rest van het continent zal besmetten. Zal Dustin Hoffman erin slagen de wrede Donald Sutherland van dit plan af te houden? En zal hij zijn besmette geliefde Rene Russo op tijd kunnen redden?

De Hollywood-film Outbreak (1995) was destijds een kaskraker en is nog steeds erg populair als dvd. Huiveringwekkend en akelig realistisch, vinden zowel leken als experts. Het Motaba-virus is dan weliswaar fictief, maar zijn broertje Ebola, dat ook in Afrika ontstond, dezelfde symptomen veroorzaakt en even dodelijk is, allerminst. Het enige verschil is dat Ebola niet via de lucht besmettelijk is. Maar dat was Motaba aanvankelijk ook niet.

De film doet ons beseffen dat ons wellicht het een en ander te wachten staat. Want één ding staat vast: de aarde staat bol van de infectieziekten. Niet alleen virussen, maar ook bacteriën, schimmels, eencelligen en parasitaire wormen: ze tieren welig in hun gastheren. Momenteel zijn er 1407 infectieziekten waarvan bekend is dat ze de mens kunnen besmetten. “Niet zo’n prettig idee,” lacht prof dr Mark Woolhouse van de Universiteit van Edinburgh, “zeker niet als je bedenkt dat er jaarlijks nieuwe bijkomen. Veel daarvan zijn ongevaarlijk, maar de kans is altijd aanwezig dat er een nieuwe HIV of vogelgriep tussenzit. Of een nieuwe variant van Ebola.”

Van dier op mens

Woolhouse, hoogleraar Epidemiologie van Infectieziekten, is een expert in zogenaamde opkomende infectieziekten. Dat zijn infectieziekten die grofweg in de afgelopen 25 jaar nieuw zijn verschenen of sterk zijn toegenomen. “Gemiddeld komt er jaarlijks meer dan één nieuwe infectieziekte bij, plus nieuwe varianten van al bekende ziekten,” zegt Woolhouse. “Die snelheid is verbazingwekkend. Op evolutionaire tijdschaal is die namelijk niet houdbaar: dan zouden we allang overspoeld zijn door infectieziekten, en zou de teller veel hoger staan dan 1407.” Een verklaring zou kunnen zijn dat de meeste nieuwe infectieziekten niet lang bij de mens blijven voortbestaan. Dat vindt Woolhouse echter niet waarschijnlijk, gezien de standvastigheid van de ziekten van de laatste eeuwen. Hij denkt dat er iets anders aan de hand moet zijn. “Volgens mij is het een combinatie van twee factoren. De voornaamste is dat wij beter zijn geworden in het ontdekken van nieuwe ziekteverwekkers. Maar ik sluit niet uit dat het ook andersom is. Ziekteverwekkers zijn beter geworden in het ontdekken van ons.”

Wetenschappers houden de opkomende infectieziekten nauwlettend in de gaten. Ze zijn potentieel namelijk gevaarlijker dan ingeburgerde ziekten, ten eerste omdat onbekende ziekteverwekkers onvoorspelbaar en moeilijk te bestrijden zijn, en ten tweede omdat ons immuunsysteem nog geen kans heeft gehad zich eraan aan te passen. “Van de laatste vijftig jaar hebben we een redelijk nauwkeurig beeld van hoe en wanneer nieuwe ziekten zijn ontstaan,” vertelt Woolhouse, “maar als je nog verder teruggaat wordt het lastiger. Historische beschrijvingen van uitbraken zijn er wel, maar die vormen waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg. We weten vrij precies hoe het zat met de pest en de Spaanse griep, maar er zijn ongetwijfeld ziekten geweest die op grote schaal de kop opstaken zonder dat de wetenschap het doorhad. Mensen gingen immers aan de lopende band dood met vage klachten.”

Toch heeft de moderne wetenschap een truc achter de hand om in het verleden van bestaande ziekten te graven. Zo geeft genetisch materiaal vaak informatie over de evolutionaire geschiedenis van een organisme: wetenschappers kunnen eruit afleiden hoeveel generaties geleden een bepaalde mutatie heeft plaatsgevonden. Woolhouse: “Zo weten we tegenwoordig dat HIV al minstens vijftig tot honderd jaar in de menselijke populatie rondwaart. Het virus is echter pas rond 1980 ontdekt. Toen begon het virus – misschien door een genetische verandering – pandemische vormen aan te nemen, en gingen we er pas goed naar kijken.”

Waarschijnlijk hebben we HIV van chimpansees overgenomen. Op zichzelf is dat niet uitzonderlijk. Van de 1407 menselijke infectieziekten is zo’n zestig procent een zoönose: een ziekte die hoofdzakelijk voorkomt bij dieren, maar die ook de mens kan besmetten. Ook het Spaanse griepvirus, dat in 1918 veertig tot honderd miljoen slachtoffers eiste, was een zoönose: het was afkomstig van vogels. “We hebben zelfs aanwijzingen dat we onze alledaagse ziekten, zoals griep, mazelen en waterpokken, ergens in de afgelopen 10.000 jaar van landbouwhuisdieren hebben overgenomen,” zegt Woolhouse. “De meeste vormen geen echt gezondheidsrisico. En zelfs zoönosen die op zichzelf heel ernstig zijn, zoals Ebola of de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, vormen op wereldschaal geen bedreiging. Ebola is te dodelijk – de besmettingshaard dooft onmiddellijk uit – en Creutzfeldt-Jakob is te weinig besmettelijk. Persoonlijk zou ik ook de vogelgriepvariant H5N1 in datzelfde rijtje plaatsen: die is relatief ongevaarlijk, want slecht van mens op mens overdraagbaar. Voorlopig althans.”

Besmet apenvlees

Amerikaanse en Franse wetenschappers legden in 2003 in Science uit hoe het zit met de geschiedenis van HIV (human immunodeficiency virus). Ze wisten het virus terug te voeren op een apenvariant van het virus: SIV (simian immunodeficiency virus). Dat virus troffen ze aan bij twee Afrikaanse apensoorten, de witneusmeerkat en de roodkapmangabey. “Die staan soms op het menu van chimpansees,” vertelde onderzoeker Frédéric Bibollet-Ruche destijds aan Science. “Zo konden chimpansees besmet raken. Vervolgens recombineerde het virus met een chimpanseevirus, waardoor het voor chimpansees onderling en ook voor mensen besmettelijk werd.” De overstap van chimpansee naar mens vond volgens de onderzoekers vóór 1930 plaats, en gebeurde waarschijnlijk doordat iemand zichzelf verwondde tijdens het slachten van een besmette chimpansee. Bibollet-Ruche: “We konden zien dat die overstap ten minste drie verschillende keren heeft plaatsgevonden. Het kan dus mogelijk nogmaals gebeuren, maar dan wellicht met een nieuwe, virulentere stam.” Geen apenvlees eten dus, is de boodschap van de Fransman. Tenzij je natuurlijk goed oplet bij het slachten en het vlees goed doorbakt.

Foutjes bij replicatie

Woolhouse benadrukt dat er talloze factoren zijn die bepalen of een ziekte de potentie heeft pandemisch te worden. “We kunnen er nog steeds niet precies de vinger op leggen,” zegt hij. “Naast bijvoorbeeld de overdraagbaarheid en de dodelijkheid van een virus is het aanpassingsvermogen aan een nieuw type gastheer van groot belang.”

Factoren als overdraagbaarheid zijn op zichzelf ook van verschillende viruseigenschappen afhankelijk, uiteenlopend van celniveau – welke receptoren op de gastheercel heeft een virus nodig om binnen te komen – tot de plek in het lichaam waar het virus zich ophoudt. “Griep en Ebola zitten in elk lichaamsvocht,” legt Woolhouse uit, “en kunnen dus gemakkelijk door het delen van voedsel of door niezen worden overgedragen. Hondsdolheid, of rabiës, huist echter hoofdzakelijk in het zenuwstelsel. Het virus is eigenlijk alleen over te brengen via beten. En bijten is nou niet direct iets wat mensen onderling vaak doen. Wij zijn dus een slecht vehikel voor het rabiësvirus.”

Een pandemie, zo voorspelt Woolhouse, zal hondsdolheid dus wel nooit worden, ondanks het feit dat de ziekte vrijwel overal op aarde en in een groot aantal diersoorten voorkomt. Welke infectieziekten zijn er dan wel een goede kandidaat? Woolhouse durft het nauwelijks te zeggen. “Je kunt onmogelijk voorspellen welke veranderingen ziekteverwekkers in de toekomst zullen ondergaan. Een groot gedeelte daarvan berust immers op toeval. Je kunt hoogstens factoren aanwijzen die van belang zijn.”

Kanshebber nummer één vormen volgens Woolhouse de RNA-virussen. Daarvan bestaat het genetisch materiaal, in elk geval tijdens een belangrijk deel van de levenscyclus, uit RNA (ribonucleic acid) in plaats van DNA (deoxyribonucleic acid). RNA, verklaart Woolhouse, is veel veranderlijker dan DNA. Tijdens het kopiëren van de strengen treden er vaker ‘foutjes’ op. Waar bij DNA-replicatie veel van die foutjes worden gecorrigeerd door het enzym DNA-polymerase, gebeurt dat bij RNA-virussen niet: die hebben dit enzym niet. “Die hogere mutatiesnelheid zorgt ervoor dat het virus sneller evolueert,” vervolgt de epidemioloog, “en dus een groter aanpassingsvermogen heeft. Dat vergroot de kans op het succesvol binnendringen van een nieuwe gastheerpopulatie.”

Het risico neemt verder toe als zo’n RNA-virus ook nog eens zoönotisch is. “Het is een kwestie van kansrekening,” zegt Woolhouse. “Telkens wanneer een virus de sprong maakt naar een nieuwe soort, krijgt hij te maken met nieuwe omstandigheden en heeft hij de kans zich aan te passen aan die specifieke gastheersoort. De kans bestaat elke keer dat het een aanpassing is die het virus extra gevaarlijk maakt.”

Inderdaad zijn er veel zoönosen onder de 177 infectieziekten die de laatste 25 jaar zijn opgedoken: ruim zeventig procent. “Dat is interessant,” merkt Woolhouse op, “want als je naar alle 1407 infectieziekten kijkt, ligt dat percentage ruim tien procent lager. De laatste 25 jaar waren opkomende ziekten dus relatief vaak zoönotisch. Dat suggereert dat er wat aan het veranderen is in de snelheid waarmee wij ziekten van dieren overnemen.”

De toename is namelijk niet te verklaren door het feit dat we beter zijn geworden in het detecteren van nieuwe infectieziekten: daarvoor maakt het immers niet uit of een ziekte zoönotisch is of niet. “Het lijkt erop dat er structureel dingen aan het veranderen zijn die die toename veroorzaken,” stelt Woolhouse. “De grote vraag is: welke factoren zijn dat? Kunnen we daarmee verklaren waarom juist het aantal zoönosen zo sterk toeneemt?” Zijn onderzoeksgroep voerde een grootschalige analyse uit van factoren die van belang zouden kunnen zijn, en concludeerde dat veranderende menselijke factoren de laatste 25 jaar wel degelijk een rol speelden (zie tabel).

___________________________________________________________________________

Tabel: De voornaamste factoren die van invloed zijn op het (opnieuw) opkomen van infectieziekten, in volgorde van belangrijkheid:

 

  1. Veranderingen in landgebruik en landbouwmethoden
  2. Veranderingen in menselijke demografie en samenleving
  3. Slechte volksgezondheid (bijvoorbeeld door ondervoeding, HIV)
  4. Ziekenhuizen en medische procedures
  5. Evolutie van de ziekteverwekker (bijvoorbeeld toegenomen antibioticaresistentie en virulentie)
  6. Besmetting van voedsel en water
  7. Internationale reizen
  8. Ontoereikende gezondheidszorg
  9. Internationale handel
  10. Klimaatverandering

 

(Beoordeeld aan de hand van het aantal ermee geassocieerde infectieziekten.

Bron: M. Woolhouse en S. Gowtage-Sequeria, in Emerging Infectious Diseases 11:12, 2005)

__________________________________________________________________________________________

 

Mug in het vliegtuig

Met stip op nummer één in de tabel van Woolhouse staan veranderingen in landbouwmethoden. Deskundigen over de hele wereld zijn het erover eens dat die een steeds grotere bedreiging vormen voor de volksgezondheid. “De intensiteit van onze veehouderij is enorm toegenomen,” vertelt dr Nina Marano, hoofd Veterinaire Geneeskunde en Volksgezondheid van het National Center for Infectious Diseases, onderdeel van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), in Atlanta, VS. “We houden dieren op een kluitje en hebben er zelf veel intensiever contact mee. Dat vraagt om problemen.” Vroeger leefden we weliswaar ook temidden van onze kippen en geiten, maar de aantallen dieren waren veel kleiner. Het probleem waar het allemaal op terug te voeren is, meent Marano, is de snelle bevolkingsgroei: met de toenemende bevolkingsdruk, gecombineerd met toenemende welvaart, is er een steeds grotere vraag naar dierlijk eiwit. “De dieren blijven bovendien niet meer op één plek, maar worden over grote afstanden vervoerd. We voeren ze slachtafval en stoppen ze vol met antibiotica, wat leidt tot resistente ziekteverwekkers. Al die factoren zorgen voor een kweekvijver van infectieziekten. Het is geen wonder dat er onder zulke omstandigheden ook geheel nieuwe virussen ontstaan.”

Marano noemt als voorbeeld het Nipah-virus, dat in 1999 in Maleisië werd ontdekt. Het virus veroorzaakt een ernstige vorm van hersenvliesontsteking, die in meer dan de helft van de gevallen dodelijk is. Aanvankelijk zagen artsen het ziektebeeld aan voor een gewone hersenvliesontsteking, maar opvallend was dat 93 procent van de patiënten werkzaam was in de varkenssector. Ze bleken besmet met een onbekend virus dat nauw verwant is aan het Hendra-virus: een andere nieuwkomer, die in 1994 werd ontdekt. Waarschijnlijk zijn vleermuizen de hoofdgastheren van zowel Nipah als Hendra. “Het kan niet anders dan dat het virus onder zeer onhygiënische omstandigheden op varkens is overgesprongen,” zegt Marano. “Vervolgens is het gemuteerd tot een voor mensen gevaarlijke variant. Inmiddels zijn er in Zuid-Oost Azië tenminste enkele honderden patiënten aan overleden. Een pandemie zal het virus waarschijnlijk niet veroorzaken, want het is niet van mens op mens overdraagbaar. Nog niet, tenminste.”

Nummer zeven en negen op de lijst van Woolhouse zijn internationale reizen en internationale handel. Nederland kreeg eind augustus te maken met een wel heel spectaculair voorbeeld: het exotische blauwtongvirus stak de kop op bij Limburgse schapen en runderen. “We hielden de afgelopen jaren al wel rekening met een mogelijke besmetting vanuit Zuid-Europa, waar de serotypes 2, 4, 9 en 16 voorkomen,” zegt dr ir Armin Elbers, veterinair epidemioloog van het Centraal Instituut voor DierziekteControle (CIDC) in Lelystad, “maar tot onze grote verbazing bleek het te gaan om serotype 8, dat normaal gesproken alleen voorkomt in Afrika ten zuiden van de Sahara en in het Caribisch gebied. Er zijn verschillende hypothetische introductieroutes: legale of illegale import van wilde hoefdieren zoals giraffen of antilopen naar dierentuinen, wildparken of een game ranch van een vermogende particulier in Nederland of België, maar het is ook mogelijk dat besmette knutten met een vliegtuig zijn meegereisd met goederen, zoals bloemen en planten, die regelmatig vanuit Afrika per vliegtuig naar Noord-Europa worden vervoerd.” Nieuw zou dit niet zijn: in het verleden zijn er al eens kleine malaria-uitbraken geweest rond Schiphol, doordat besmette muggen met vliegtuigen waren meegereisd.

Of het blauwtongvirus zich permanent in Nederland zal vestigen, durft Elbers niet te zeggen. Het feit dat de ziekte niet rechtstreeks besmettelijk is, maar knutten nodig heeft voor zijn verspreiding, lijkt gunstig: “Het kan zijn dat de vector de winter in Noord-Europa niet overleeft. Dan zijn wij er in het voorjaar vanaf. Maar kan de vector door nog onbekende mechanismen wel overwinteren, dan hebben we mei, juni volgend jaar een groot probleem.”

West Nile in de lage landen?

Een virus dat in elk geval per vliegtuig een nieuw thuisland bereikte, is het West Nile virus. In tegenstelling tot blauwtong is West Nile voor mensen wel degelijk gevaarlijk: het veroorzaakt hersenvliesontsteking. “Het West Nile virus komt oorspronkelijk uit Afrika,” vertelt Marano in Atlanta, “maar dook in 1999 opeens in de VS op. Toevalligerwijs was de uitbraak heel nauwkeurig terug te leiden: de uitbraak begon vlak naast de luchthaven John F. Kennedy.” Inmiddels zijn vrijwel alle Staten in de ban van het virus. De afgelopen drie jaar werden er zo’n 15.000 mensen ziek van, van wie er zo’n vijfhonderd overleden. “West Nile heeft Nederland nog niet bereikt,” zegt Elbers van CIDC-Lelystad, “maar dat is een kwestie van wachten. In Zuid-Frankrijk is er in 2000 een groot aantal paarden mee besmet geraakt, en gestorven. Twee Fransen bleken ook besmet te zijn. In Nederland zijn we er alert op. Er is een vroeg-waarschuwingssyteem opgezet dat het paard gebruikt als ‘verklikker’. Meldingen van neurologische symptomen bij paarden, zoals coördinatieproblemen en verlamming, worden serieus onderzocht: die kunnen een teken zijn dat West Nile in Nederland is gearriveerd.”

Marano denkt overigens dat het niet lang zal duren voor het volgende virus zich per vliegtuig buiten zijn continent zal begeven: “Rift Valley, Ebola, Marburg, noem maar op. Het kan gemakkelijk.”

Broeinest

Klimaatverandering staat in het rijtje van Woolhouse op de tiende plaats. “Dat betekent niet per se dat het werkelijk een minder belangrijke factor zou zijn,” geeft de Schotse hoogleraar aan, “hooguit dat we nog van relatief weinig ziekten hebben kunnen aantonen dat ze zich door klimaatverandering uitbreiden. De verwachting is wel dat snel zal veranderen.” Zijn collega prof dr Andy Dobson, hoogleraar Ecologie en Evolutiebiologie aan Princeton University (VS), is het daar hartgrondig mee eens. “Klimaatverandering beïnvloedt natuurlijke ecosystemen op een manier die gunstig is voor ziekteverwekkers,” zegt Dobson. “De opeenstapeling van voorbeelden is zorgwekkend.”

In 2002 publiceerde Dobson met een groep internationale collega’s hierover een artikel in Science. “Veel virussen, bacteriën en schimmels vermenigvuldigen zich sneller als het warmer is,” meldt Dobson. “Hetzelfde geldt voor veel van hun dragers, zoals muggen, teken en knaagdieren. Als het warmer wordt, zullen deze vectoren zich bovendien uitbreiden in nieuwe gebieden en nieuwe slachtoffers uitzoeken. Verder bijten insecten vaker bij hogere temperaturen. Ze zullen bovendien in de winter minder snel doodgaan. Zo kan ik nog wel even doorgaan.”

Dobson legt uit waarin precies het gevaar schuilt wanneer muggen van de tropen in gematigde zones terechtkomen. In de tropen, geeft hij aan, is er een grotere diversiteit aan soorten dan in de gematigde streken, maar gemiddeld is het aantal individuen per soort lager. In gematigde streken zijn er minder soorten, maar meer individuen per soort, waardoor de kans op een epidemie groter is. Hoe hoger de biodiversiteit, hoe groter de kans is dat een mug een soort bijt waar de ziekte geen vat op heeft. Er treedt door de ‘verspilde beten’ als het ware een verdunning op. In gematigde streken hebben muggen echter minder keus. “Met afnemende niveaus van biodiversiteit is er steeds minder bufferwerking,” vat Dobson samen. “Een ziekteverwekker die erin slaagt van de tropen in een gematigde zone terecht te komen, kan dus veel schade aanrichten.”

Een factor die Dobson daarom aanwijst als cruciaal, maar die op de lijst van Woolhouse niet voorkomt, is afnemende biodiversiteit. Niet alleen door klimaatverandering, zo benadrukt hij, maar ook door bijvoorbeeld habitatverlies en -versnippering, vervuiling en jacht. “Epidemiologisch gezien zouden we ons moeten omringen met zoveel mogelijk verschillende soorten dieren,” zegt Dobson, “al was het alleen al omdat insecten en teken ons dan minder vaak zullen steken. Het oudste voorbeeld daarvan is het feit dat herders in de tropen die ’s nachts bij hun koeien slapen, opvallend zelden malaria hebben. De muggen prikken voornamelijk de koeien. Misschien dat de koe daarom in India al eeuwenlang heilig is.”

Diversiteit is belangrijker dan aantallen. Dobson noemt het voorbeeld van de ziekte van Lyme, veroorzaakt door een bacterie (Borrelia burgdorferi) die door teken wordt overgedragen. In alle gematigde streken van het noordelijk halfrond is het aantal gevallen van Lyme de laatste jaren dramatisch toegenomen. “In veel gebieden zijn door de afname en versnippering van natuurlijke bossen de soorten verdwenen die een grote habitat nodig hebben,” legt Dobson uit. “In kleine stukken natuur blijven voornamelijk kleine zoogdieren over, bijvoorbeeld muizen. Als nu de predatoren en concurrenten zijn verdwenen, zullen de muizen enorm in aantal toenemen. Als zij toevallig een geschikt reservoir zijn voor ziekteverwekkers, dan kan dat een gezondheidsrisico vormen. En dat is precies wat er met de ziekte van Lyme aan de hand is.”

De teken die Lyme overbrengen, zuigen bloed bij een groot aantal zoogdiersoorten. Sommige daarvan dragen vaker de bewuste bacterie met zich mee dan andere. De kans dat een teek de bacterie opdoet wanneer hij een muis bijt, is in de VS zo’n negentig procent, weet Dobson. Bijt hij daarentegen een eekhoorn, dan raakt hij slechts in vijftien procent van de gevallen besmet. In verstoorde stukken bos komen vrijwel geen eekhoorns meer voor, en des te meer muizen. Deze bossen barsten dus van de besmette teken. “Twee effecten spelen een rol,” concludeert Dobson. “Grote ecosystemen met een hoge biodiversiteit houden vanzelf het aantal muizen binnen de perken. Daarnaast leiden de andere soorten de teken weg van de muizen, richting minder geschikte reservoirs.”

Kan het niet ook zo zijn dat de soort die in een klein stukje bos overblijft, juist niet een geschikte gastheer is voor de ziekteverwekker? “Inderdaad, maar daar hoor je nooit over. Die zijn in dit verhaal niet belangrijk. De gevallen die de aandacht trekken, zijn de gevallen die een gezondheidsrisico opleveren.” Een verstoord ecosysteem leidt, kortom, tot extremere omstandigheden: het risiconiveau kent hogere pieken en diepere dalen. En het zijn de pieken die in onze statistieken terechtkomen.

Teken als stiekeme vijand

Lyme houdt ook in de lage landen de gemoederen bezig. “Bij ons is circa tien procent van de teken besmet met de bacterie,” vertelt prof dr Frans Jongejan, hoogleraar tropische diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht. “Of dat veel meer is dan vroeger, weten we eigenlijk niet precies. We hebben er in Nederland altijd veel over gekletst, maar te weinig geld vrijgemaakt voor onderzoek.” De aanwezigheid van de bacterie bij muizen en reeën, de voornaamste teken-gastheren, wordt bijvoorbeeld niet systematisch onderzocht. In elk geval wordt de ziekte bij steeds meer mensen geconstateerd. “Maar dat kan ook andere oorzaken hebben,” nuanceert Jongejan. “Er zit ook een gedragscomponent in. Mensen recreëren meer in de natuur en lopen dus vaker teken op. Ze gaan er eerder mee naar de dokter, omdat de ziekte in de media steeds meer aandacht krijgt. Vroeger liepen er wellicht meer mensen met vage klachten rond zonder te weten dat ze Lyme hadden.”

Of onze teken nu vaker besmet zijn of niet, vaststaat in ieder geval dat ze zelf in aantal zijn toegenomen. Ze hebben meer te eten, want in ons verstoorde land, waarin weinig meer wordt gejaagd, wonen meer reeën en muizen dan vroeger. “Het is overigens opmerkelijk dat Lyme zoveel aandacht trekt,” merkt Jongejan op, “want er zijn veel meer nare infectieziekten die door teken worden overgebracht. We hebben onlangs zelfs in Nederland een heel nieuwe tekensoort ontdekt die allerlei ziekteverwekkers met zich meedraagt. Voorheen kwam die soort alleen elders in Europa voor, maar door ecologische veranderingen voelt hij zich hier nu ook prima thuis.”

Ten strijde

Hoe het ook zij, er hangt ons behoorlijk wat boven het hoofd. Is er dan niets aan te doen? “Nou, eigenlijk niet,” lacht ecoloog Dobson van Princeton. “We kunnen onze borst natmaken. De ellende is nog maar nauwelijks begonnen.” Hij is het met Jongejan eens dat er veel meer geld beschikbaar zou moeten komen voor onderzoek naar infectieziekten en vooral voor de ontwikkeling van nieuwe methoden van bestrijding. “We besteden miljoenen aan onderzoek naar leven op Mars,” schampert hij, “terwijl we ons eigen ecosysteem nog maar nauwelijks begrijpen. Dat geld kun je net zo goed door de wc spoelen. Overheden leggen duidelijk de prioriteit verkeerd. Vooral de sneue Amerikaanse overheid, die niet gelooft in wetenschappelijk onderzoek.”

Toch komen de experts gezamenlijk met een veelbelovende rij aanbevelingen. “Eet minder dierlijk eiwit, eet lokaal voedsel, en eet met het seizoen mee,” zegt Marano in Atlanta. “Maak de landbouw efficiënter, hak er geen regenwouden meer voor om,” vult Dobson aan, “en wees bereid de ware prijs voor vlees te betalen. Neem klimaatverandering serieus. Overtuig overheden van de absolute urgentie van de situatie.”

“Investeer in het trainen van veeartsen, epidemiologen en andere deskundigen in ontwikkelingslanden, én in de nieuwe EU-landen,” meent Elbers van het CIDC in Lelystad. “Kweek daar een veterinaire infrastructuur, richt er laboratoria in. In Nederland hebben wij onze zaakjes redelijk op orde, en liggen er gedetailleerde draaiboeken klaar voor uitbraakbestrijding, maar het gevaar schuilt juist in de zich snel ontwikkelende regio’s in Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en China. Daar blijft de biosecurity vaak achter bij de snelle ontwikkeling van de veehouderij.”

“Zorg voor een betere samenwerking tussen epidemiologen, veterinair deskundigen, biologen en artsen,” voegt Marano nog toe, “en zet één gezamenlijk surveillancenetwerk op.”

“Realiseer je dat infectieziekten werkelijk een wereldwijd probleem zijn,” besluit Woolhouse in Edinburgh. “Sluit je ogen niet voor de effecten van globalisering. Investeer in communicatie tussen landen, en in wereldwijde surveillance en adequate responsnetwerken. De situatie is te ernstig om het niet te doen. En zelfs dan... ik heb mijn twijfels. Als epidemioloog vind ik het interessant, maar als burger? Doodgriezelig.”

Meer informatie:

http://www.rivm.nl/gezondheid/infectieziekten/

http://www.cidc-lelystad.wur.nl/NL/

http://www.cdc.gov/ncidod/index.htm

 

Kader: Virusbiologie voor beginners

Een virus is geen cel. Een cel is namelijk een levende eenheid die zich zelfstandig voedt, groeit en zich voortplant. Een virus kan niets van dat alles zelf. Een virus voldoet dus eigenlijk niet eens aan de definitie van een levend organisme.  

Virussen variëren in grootte van 17 tot 300 nanometer. Daarmee zijn ze honderd- tot vijfhonderdmaal kleiner dan bacteriën, die op hun beurt kleiner zijn dan de meeste menselijke lichaamscellen. Virussen zijn zo klein dat ze niet met een gewone lichtmicroscoop te zien zijn, maar alleen met een elektronenmicroscoop.

Evenals levende cellen bevatten virussen genetische informatie, maar daarmee houdt de vergelijking op. Bij veel virussen bestaat het genetisch materiaal niet uit DNA (deoxyribo-nucleic acid), maar uit RNA (ribo-nucleic acid), dat bij andere levende cellen alleen als ‘afschrift’ dient van de genetische informatie. Het virus-RNA of -DNA is omringd door een eiwitmantel. Sommige virussen hebben daaromheen nog een membraan van vetten. Verder hebben ze niets: geen vocht, geen cellichamen zoals een kern of mitochondriën, en zelfs geen enzymen of andere moleculen.

Virussen verschillen onderling in vorm. Sommige zien eruit als bolletjes, andere hebben de vorm van een raket of een diamant op ‘poten’, waardoor ze eruit zien als een spin of een maanlandervoertuig.

Doordat virussen echt niets anders zijn dan een pakketje erfelijk materiaal met een jasje eromheen, kunnen ze zelf geen enkele reactie uitvoeren. Ze hebben een gastheercel nodig om voort te bestaan en zich te kunnen vermeerderen. Zodra ze een gastheercel binnendringen, nemen ze de gehele machinerie van die cel als het ware in gijzeling. De gastheercel kan dan niets anders meer doen dan het erfelijk materiaal van het virus kopiëren en eiwitten en eventueel ook vetten produceren voor de virusmantel. De gastheercel zit al snel vol met duizenden nieuwe virusdeeltjes, gaat vervolgens dood, en barst open. Zo komen de nieuwe virusdeeltjes vrij, die op hun beurt gastheercellen zullen gaan binnendringen.

Sommige virussen, de zogenaamde retrovirussen, zijn wel heel gehaaid. Zij planten zich voort door hun RNA om te zetten in dubbelstrengs DNA en dit in te brengen in het DNA van de gastheercel. De machinerie van de gastheercel leest dit DNA vervolgens af en produceert viraal RNA. Zo’n retrovirus hoeft echter niet altijd schadelijk te zijn. Sterker nog, zonder retrovirussen zouden zoogdieren waarschijnlijk nooit geëvolueerd zijn. Wetenschappers denken dat het DNA van een retrovirus zich miljoenen jaren geleden voorgoed in het DNA van een vroege voorouder heeft genesteld, en dat dit DNA er toevalligerwijs voor bleek te zorgen dat een lichaam een eigen embryo niet afstoot. Daardoor konden zoogdieren voortaan hun nageslacht – dat toch in feite lichaamsvreemd is – gedurende de eerste levensweken of -maanden in hun eigen lichaam meedragen zonder er een afweerreactie tegen te vertonen.

De Grote Griepmeting

Hoe verspreiden infectieziekten zich binnen en tussen landen? En welke mensen lopen het meeste risico besmet te worden? Om daarachter te komen begonnen veertien Nederlandse en Belgische organisaties, waaronder Kennislink, Natuurwetenschap&Techniek, de KU Leuven en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in 2002 een wel heel bijzonder project: de Grote Griepmeting. Sinds het griepseizoen van 2002/2003 kunnen Nederlanders en Belgen jaarlijks van november tot mei via internet aangeven of de griep hen al geveld heeft. In 2005/2006 deden er bijna veertigduizend griepmeters mee: zij vulden éénmalig en anoniem een korte vragenlijst in. Daarna ontvingen zij elke week een korte vragenlijst waarmee zij lieten weten hoe het met hun gezondheid stond, en aangaven of ze bijvoorbeeld rookten, aan sport deden, stress hadden, en vitaminepillen slikten.  

“Naast alle griepmeters kijken ook artsen, virologen en wiskundigen met spanning naar de resultaten uit,” vermeldt de website van de Grote Griepmeting. “Wiskundigen hopen aan de hand van de metingen een nog beter inzicht te krijgen in de verspreiding van infectieziekten. Artsen en virologen hopen dat het onderzoek zal leiden tot veel betere adviezen over volksgezondheid.”

Tot nu toe heeft de Grote Griepmeting al enkele interessante resultaten opgeleverd. Zo was bijvoorbeeld nauwkeurig te voorspellen wanneer de piek van de griepepidemie zou optreden. Ook bleek dat mensen die hoog scoorden op de stressmeter, 1,27 keer vaker griep hadden dan gemiddeld. Daarnaast bleek dat extraverte mannelijke griepmeters vatbaarder zijn voor griep. “Volgens experts zijn zij waarschijnlijk socialer,” meldt de Griepmeting-website. “Ze komen daardoor vaker in openbare ruimtes en komen in contact met meer verschillende mensen. Het levert ze 1,39 keer vaker griep op dan gemiddeld. Waarom het juist mannen zijn, konden experts met de data uit de Grote Griepmeting niet verklaren. Misschien is hier een rol weggelegd voor het hormoon testosteron – het grootste verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke lichaamschemie.”

Meld je aan! http://www.degrotegriepmeting.nl

 

Vaccineren als redmiddel?

Virussen zijn als een onneembare vesting. Ze kunnen tegen extreme hitte en kou, weerstaan bijtend zuur en verouderen niet. Ze nestelen zich diep in de cellen van hun gastheer, waardoor geneesmiddelen er vaak niet bij kunnen zonder ook de gastheercel te beschadigen. De meest effectieve manier om een virusinfectie te bestrijden, is daarom via het immuunsysteem van de gastheer. Daarop is de werking van vaccins gebaseerd.

Een vaccin bestaat uit een afgezwakte variant van het betreffende virus. Die zet het immuunsysteem alvast op scherp, zodat het meteen adequaat kan reageren wanneer het eigenlijke virus zich aankondigt. De bedoeling is daarbij dat de gastheer niet ziek wordt van het vaccin, of althans niet ernstig. Soms is een vaccin echter niet ongevaarlijk, met name wanneer het immuunsysteem van de ingeënte persoon al hard aan het werk is. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn wanneer men AIDS onder de leden heeft, of zelfs een onschuldig griepje. Er zijn gevallen bekend van mensen die om die reden aan een pokken-inenting overleden.

Voor niet alle virusziekten is het even eenvoudig een vaccin te ontwikkelen. Voor HIV bestaat bijvoorbeeld, een kwart eeuw na de ontdekking van AIDS, nog altijd geen vaccin. Ook tegen de vogelgriepvariant H5N1 bestaat nog geen vaccin. Althans, niet voor mensen. Kippen worden al wel ingeënt, namelijk met een vaccin dat bestaat uit een onschadelijk gemaakte versie van een nauw verwant virus. Dat beschermt ze ook tegen H5N1 en andere H5-varianten. Bij mensen werkt het immuunsysteem selectiever. Je zou mensen veel specifieker met de juiste H5-stam moeten inenten. Aan dergelijke vaccins wordt hard gewerkt, maar het probleem is dat we niet precies weten welke virusstam een pandemie zou kunnen gaan veroorzaken. Het H5N1-virus heeft nu nog niet de veranderingen ondergaan die het nodig heeft om pandemisch te worden, dus inenten tegen de huidige variant heeft niet veel zin. Toch is wachten tot het zover is, óók onverstandig. Het ontwikkelen, testen en op de markt brengen van het juiste vaccin is namelijk ingewikkeld en tijdrovend. Men moet niet alleen de juiste afgezwakte variant ontwikkelen, maar bijvoorbeeld ook uitzoeken hoe het zit met de veiligheid en de werkzaamheid van hulpstoffen, en met de schadelijkheid van het vaccin zelf.

Experts zijn het er daarom over eens dat vaccins de mensheid niet voldoende kunnen helpen tegen de dreiging van virusziekten. Veel daarvan duiken inmiddels nieuw op. Als zo’n nieuwe infectieziekte pandemisch wordt, zullen we altijd te laat zijn met het ontwikkelen van een vaccin. Bovendien is het logistiek gezien onmogelijk om alle mensen ertegen in te enten. We moeten dus toch een andere strategie ontwikkelen: strijden tegen de oorzaken van het ontstaan van nieuwe infectieziekten, en zorgen dat we de verspreiding ervan zoveel mogelijk inperken.


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign