Dutch language English language

Voorproefjes - Hotspots op de Antillen (nr. 4/2007)

 

Van de biodiversiteit van ons Koninkrijk bevindt 99 procent zich op de Antillen en Aruba. Toch gaat ons natuurbeschermingsgeld vrijwel uitsluitend naar postzegelnatuur in het moederland. Doodzonde, vinden experts: met weinig geld is overzee veel meer resultaat te boeken dan hier.

Nienke Beintema

De Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied herbergen een ongekende biodiversiteit. Alleen al op Aruba, Bonaire en Curaçao komen meer dan tweehonderd endemen voor: planten- en diersoorten die nergens anders op aarde voorkomen.

Deze soortenrijkdom hangt samen met de diversiteit aan habitats. De bovenwindse eilanden Saba, St. Eustatius en St. Maarten, die vulkanisch van oorsprong zijn, kennen een weelderige vegetatie, uiteenlopend van mangroven aan de kust tot regenwoud en boomvarens in de bergen. Hier voelen endemische orchideeën, vleermuizen en iguana’s zich thuis. Tropische koraalriffen vormen bovendien een onderwaterparadijs voor honderden soorten vissen en ongewervelden.

De benedenwindse eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao zijn veel droger. Hier groeien droogteminnende planten zoals cactussen en acacia’s, en er komen endemische papegaaien, gekko’s, boomhagedissen en ratelslangen voor. Ook deze eilanden kennen mangroven en uitgestrekte koraalriffen, maar omdat ze negenhonderd kilometer verder naar het zuidwesten liggen dan de bovenwindse eilanden, zijn de habitats totaal verschillend. “Bij deze eilanden is nog iets anders aan de hand,” vertelt Kalli De Meyer, directeur van de Dutch Caribbean Nature Alliance (DCNA). “Aruba maakt geologisch gezien deel uit van het vasteland van Venezuela, maar Bonaire en Curaçao niet. Deze twee eilanden zijn van het vasteland gescheiden door een diepe trog. Daardoor zijn de koraalriffen, en ook de planten en dieren, op deze twee eilanden heel anders dan die op Aruba.”

Tussen wal en schip

De Meyer komt oorspronkelijk uit Engeland, maar woont nu al zestien jaar op Bonaire. Daar runde ze de Coral Reef Alliance en haar eigen non-profitorganisatie ‘Fundashon pa Bon Koral’, voordat ze in 2005 directeur werd van de kersverse DCNA. De oprichting van de DCNA, geeft De Meyer aan, was broodnodig. “De Nederlandse Antillen en Aruba bevinden zich wat betreft financiering in een onmogelijke situatie,” vertelt ze. “Omdat ze deel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden, komen ze niet in aanmerking voor internationaal natuurbeschermingsgeld, bijvoorbeeld van de Wereldbank, het Global Environment Fund of USAid. Ze horen bij Nederland en zijn daarom, hoewel straatarm, officieel geen ontwikkelingsland. Tegelijkertijd vissen ze naast het net in de Nederlandse vijver: de Nederlandse ministeries, maar ook veel particuliere organisaties, financieren alleen projecten in Nederland zelf.”

De overzeese gebieden vallen dus hopeloos tussen wal en schip. Het is een probleem dat internationaal bekend is: de overzeese gebieden van Groot-Brittannië (bijvoorbeeld de Atlantische eilanden St. Helena en Tristan da Cunha), Frankrijk (Frans Polynesië) en Denemarken (Groenland) zitten in dezelfde spagaat. Zij moeten allemaal op een ingenieuze manier hun natuurbeschermingsprojecten zien te financieren.

En die projecten hebben de eilanden hard nodig. Stuk voor stuk hebben ze te maken met een toenemende druk op hun natuurlijke hulpbronnen. Op St. Maarten, een eilandje kleiner dan Texel, wonen 60.000 mensen en dat aantal neemt snel toe. Hotels en casino’s schieten als paddestoelen uit de grond en de laatste ongerepte stukjes natuur worden in rap tempo omgetoverd tot golfbanen. “De bevolking woont grotendeels in sloppenwijken waar geen afvalverwerking plaatsvindt en geen riolering is,” zegt De Meyer. “Afval en rioolwater, ook van de luxe resorts, eindigen uiteindelijk in zee en vormen een bedreiging voor de koraalriffen en de mangroven. Uiteindelijk zal dat ten koste gaan van het inkomen van de plaatselijke bevolking: die vervuiling bedreigt de visserij en uiteindelijk ook het toerisme. Het gevaar is dat de armoede alleen maar toeneemt, wat weer ten koste gaat van natuurbescherming. Het is een vicieuze cirkel.”

Kruimels van de tafel

De Nederlandse Antillen en Aruba krijgen jaarlijks zo’n 200 miljoen euro steun van de Nederlandse overheid. Dit geld mogen de eilanden vrij besteden. Vrijwel alles gaat naar onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid en de ontwikkeling van het toerisme. “Natuurbescherming staat niet op de prioriteitenlijst,” zegt De Meyer, “ondanks jarenlang lobbyen van onze kant. De eilandoverheden beseffen te weinig dat duurzaamheid de enige manier is om de toekomst veilig te stellen. Natuurbescherming zou veel hoger op de agenda moeten staan.”

Toch begint dit besef langzaam door te dringen. In 1996 overlegden vertegenwoordigers van de Antilliaanse en Nederlandse overheid en natuurorganisaties over het duurzaam financieren van nationale parken op de zes eilanden. De Meyer: “Men concludeerde dat er een basisfonds nodig zou zijn van 24 miljoen euro. Als dat verstandig geïnvesteerd zou worden, dan zou de rente van dat geld voldoende zijn om op elk van de eilanden twee nationale parken in te richten en te onderhouden: een op het land en een in de zee. Voor het bijeen brengen van dat basisfonds en het beheren ervan is in 2005 de DCNA opgericht.”

Dat eenmalige bedrag van 24 miljoen lijkt weinig, zeker in vergelijking met de 200 miljoen euro die de Antillen jaarlijks van Nederland krijgen, maar toch is het geld lang niet gemakkelijk bij elkaar te sprokkelen. “Raar eigenlijk,” meent De Meyer, “zeker als je bedenkt hoeveel de Nederlanders jaarlijks uitgeven aan natuurbescherming in eigen land. Als wij daar maar één procent van zouden kunnen krijgen, dan zouden we ruimschoots al onze nationale parken duurzaam kunnen financieren. Het zijn echt slechts de kruimels van de tafel waar wij om bedelen.”

De Meyer benadrukt bovendien dat Nederland zich, via internationale conventies en verdragen, net als de meeste andere landen heeft verplicht om de achteruitgang van zijn biodiversiteit vóór het jaar 2010 een halt toe te roepen. “Als Nederland die verplichting serieus neemt, dan kan het niets anders doen dan investeren in zijn overzeese gebieden.”

Hoe het ook zij, de DCNA strijdt dapper verder. In Nederland kan de organisatie rekenen op een heel team van bondgenoten, die gezamenlijk het werk van de DCNA binnen Nederland promoten. Aan het hoofd van deze steungroep staat de Nederlandse tak van IUCN – the World Conservation Union: IUCN-NL. Andere steunende organisaties zijn de Unie van de Landschappen, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming, het Wereld Natuurfonds en de Nederlandse afdeling van Conservation International. “Wij steunen de DCNA via onze netwerken en communicatiekanalen,” vertelt Erik van Zadelhoff van IUCN-NL. “Wij lobbyen bijvoorbeeld bij de overheid, en dan met name bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK): dat is het ministerie dat verantwoordelijk is voor de Antillen en Aruba.”

De lobbypogingen hebben inmiddels hun vruchten afgeworpen. Het eerste schaap dat over de dam kwam, zo vertelt Van Zadelhoff, was de Postcodeloterij. “De Postcodeloterij heeft tot nu toe 2,4 miljoen euro beschikbaar gesteld ter ondersteuning van de DCNA. Dit geld komt voor een deel ten goede aan de betreffende parkorganisaties en voor een deel aan het basisfonds”. Daarnaast is inmiddels ook het Ministerie van BZK een beklangrijke donor. Naar aanleiding van een motie van D66, die door een Kamermeerderheid werd goedgekeurd, besloot BZK een bedrag van 11 miljoen euro ter beschikking te stellen. “Er was wel een voorwaarde,” nuanceert Van Zadelhoff: “Dat geld krijgt de DCNA alleen als er zekerheid is dat het fonds van 24 miljoen er daadwerkelijk komt. Tegelijkertijd mag die 11 miljoen zelf niet voor het fonds worden gebruikt, maar alleen voor het runnen van de parken en de DCNA-organisatie.” Er is dus in elk geval geld vanuit een andere hoek nodig. Een belangrijke bijdrage zal moeten komen van de parken zelf, die daartoe hun eigen inkomsten aanspreken. Daarnaast zullen er nieuwe donoren worden gezocht, zoals de EU, het bedrijfsleven en vermogende particulieren. Van Zadelhoff: “Maar het begin is er en dat is erg positief: het betekent dat de DCNA al veel erkenning oogst.”

Zenderschildpadden

Intussen staat het werk op de Antillen niet stil. Met het startkapitaal van de Postcodeloterij is op Bonaire het kantoor van de DCNA ingericht en zijn de eerste stafleden aan het werk gegaan. Er is al een aantal onderzoeks- en educatieprojecten succesvol van start gegaan, onder meer gericht op zeeschildpadden. Ieder eiland heeft nu ten minste één reservaat, sommige zelfs al zowel op het land als in de zee. Bij vrijwel alle eilanden is bovendien een begin gemaakt met het inrichten No Take Marine Reserves: gebieden waar helemaal niet mag worden gevist. Maar hebben die nu daadwerkelijk effect? “Jazeker,” zegt De Meyer. “Voor onze eigen parken is het wellicht te vroeg om conclusies te trekken, maar we kennen allemaal het succesvolle voorbeeld van St. Lucia, een ander Caribisch eiland. Daar was de zee zodanig leeggevist dat de vissers geen brood meer op de plank hadden. Onlangs is daar een No Take Marine Reserve ingesteld. En wat bleek: dit gebied ontwikkelde zich als kraamkamer voor vispopulaties uit de hele regio. De vissers vreesden aanvankelijk dat ze minder zouden vangen als ze het beschermde gebied links zouden laten liggen, maar het tegenovergestelde bleek waar: het reservaat voorziet de omliggende zee nu van een gezonde en duurzame vispopulatie. Binnen vijf jaar is de visopbrengst met driehonderd procent gestegen.”

Het mooiste is, zo geeft De Meyer aan, dat zulke succesverhalen ervoor zorgen dat de lokale bevolking het belang van natuurbescherming inziet. “De vissers van St. Lucia houden nu zelf in de gaten dat niemand de regels overtreedt. De motivatie is enorm,” vertelt ze.

Hetzelfde ziet De Meyer nu al op Bonaire. De bevolking is bijvoorbeeld razend enthousiast over het zeeschildpaddenproject: “Zeeschildpadden zijn charismatisch en indrukwekkend om te zien. De mensen vinden het bovendien intrigerend dat de dieren jaar na jaar op precies hetzelfde strand terugkeren om hun eieren te leggen. Die honkvastheid spreekt de mensen aan. Ons educatieproject maakt duidelijk hoe kwetsbaar de dieren zijn, maar ook hoe bijzonder hun ecologie is. Met behulp van satellietzenders kunnen we bijvoorbeeld laten zien dat de schildpadden enorme afstanden afleggen, zelfs helemaal tot Haïti. Maar er is ook één schildpad die alleen maar rondjes blijkt te zwemmen rond St. Eustatius. Zulke individuele verhalen vinden de mensen fascinerend.” Het resultaat is dat mensen meer hun best doen de dieren te beschermen, en zelf vrijwillig meewerken aan de onderzoeks- en educatieprojecten. “En dit is nog maar het begin,” denkt De Meyer. “Er zijn talloze vergelijkbare projecten waar we de komende jaren aan kunnen beginnen, zodra de structurele financiering op gang komt.”

Dat dat zal gebeuren, daar twijfelen De Meyer en Van Zadelhoff niet aan. “De intentie is er, ook bij de Nederlandse overheid,” meent Van Zadelhoff. “De toezegging van BZK heeft een belangrijk signaal afgegeven: we kunnen de bureaucratie doorbreken, en er kan wel degelijk specifiek geld worden vrijgemaakt voor natuurbescherming. We moeten ons met zijn allen inzetten om onze overzeese verantwoordelijkheid te nemen. Ik geloof zeker dat dat een positief effect zal hebben op toekomstige beslissingen.” Van Zadelhoff hoopt ook dat Nederland daarmee een voorbeeld kan zijn voor andere Europese landen met overzeese gebieden. “Het gaat niet alleen om een plicht, maar ook om solidariteit. Bovendien is natuurbescherming bij uitstek een onderwerp dat ons allemaal aangaat, waar ook ter wereld. Zaken als afnemende biodiversiteit en klimaatsverandering hebben immers een wereldwijd effect. Nederland kan daarbij binnen de EU een belangrijke rol spelen.”

De Meyer kijkt alvast vooruit naar 2007 en verder: “Volgend jaar willen we een begin maken met een database van alle soorten die op de eilanden voorkomen, inclusief aantals- en beschermingsgegevens,” vertelt ze. “Die database wordt een onmisbaar gereedschap in het overbrengen van de boodschap dat onze biodiversiteit uniek is en onder druk staat. Niet alleen onderzoekers kunnen er in de toekomst gebruik van maken, maar ook lokale bewoners, rangers en internationale natuurbeschermers. Verder gaan we het zeeschildpaddenproject uitbreiden en hopen we nieuwe educatieprojecten te kunnen starten. Maar een groot deel van onze tijd zullen we nog steeds moeten besteden aan fondsenwerving. Het begin is gemaakt, maar de bulk moet nog komen.”

Twee maanden later vertelt De Meyer het laatste nieuws in een glunderende e-mail: de steun van BZK is definitief goedgekeurd per januari 2007, en de DCNA kan zich verheugen in een bijzondere beschermvrouwe: Koningin Beatrix.

 

Meer informatie:

www.dcnanature.org

www.iucn.nl            

 

Help de DCNA!  Rekeningnummer 1120.32.893 t.n.v. DCNA te Soest

 

Bovenwindse parel: Saba

Saba is de top van een 500.000 jaar oude vulkaankegel. Het eiland heeft geen stranden maar steile ontoegankelijke kliffen met slechts één landingsplaats. De 877 meter hoge top van het eiland, Mount Scenery, is het hoogste punt in het Koninkrijk der Nederlanden. De berg is bedekt door het vochtige Elfin Forest (‘Sprookjesbos’), waar meer dan tweehonderd jaar oude mahoniebomen staan die begroeid zijn met weelderige epifyten.

In het Saba National Park broedt de zeldzame roodsnavelkeerkringvogel, en er komen endemische soorten vleermuizen, hagedissen en slangen voor. Ook groeien er 22 soorten orchideeën, waarvan er één nergens anders ter wereld voorkomt.

Uitgebreide koraalriffen vormen een oase voor marien leven, waaronder verschillende soorten sponzen, haaien, tonijn en zeeschildpadden. Elf kilometer verderop ligt de Saba Bank, de op twee na grootste atol ter wereld. De Bank is in feite een platte onderwaterberg, die 1800 meter vanaf de zeebodem oprijst en een thuis vormt voor meer dan 200 vissoorten. Tientallen daarvan zijn pas onlangs ontdekt.           

 

Benedenwindse parel: Bonaire

In de koraalriffen van Bonaire komen vrijwel alle Caribische koraalsoorten voor, evenals meer dan 340 soorten vissen. Daarmee is het rif van Bonaire een van de gezondste en meest diverse riffen in de gehele regio.

Een andere biologische hotspot is Lac, de grootste half-gesloten baai in het Caribisch gebied. Een barrièrerif beschermt de baai tegen de kracht van de zee. Ondoordringbare mangroven bieden een schuilplaats voor fregatvogels, reigers, flamingo’s, pelikanen en visarenden. Uitgestrekte velden van zeegras vormen een kraamkamer voor vissen en een foerageergebied voor zeeschildpadden en de grote kroonslak, de bekende roze reuzenschelp.

En dan zijn er nog de zoutlagunes in het Washington Slagbaai National Park, die onder meer worden bezocht door de bedreigde Caribische flamingo en door trekvogels uit heel Noord-Amerika. De zandstranden aan de westkust van Bonaire vormen bovendien nestelgelegenheid voor de bedreigde karetschildpad (‘hawksbill turtle’) en onechte karetschildpad (‘loggerhead turtle’).


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign