Dutch language English language

Voorproefjes - Steeds minder proefdieren in het onderwijs (15-2-2014)

 

Er komt een strengere Wet op de dierproeven. Dat heeft ook gevolgen voor het onderwijs. Op zoek naar alternatieven.

Door Nienke Beintema
© bionieuws


In november keurde de Tweede Kamer hem goed: de gewijzigde Wet op de dierproeven. Nu buigt de Eerste Kamer zich erover, en naar verwachting treedt de nieuwe wet dit voorjaar in werking. ‘Inhoudelijk verandert er niet zoveel’, zegt Jan van der Valk van het 3V-Centrum Utrecht Life Sciences. ‘Grofweg dezelfde procedures zijn toegestaan bij dezelfde dieren. Procedureel verandert er wel het een en ander. De vergunningverlening wordt bijvoorbeeld ingewikkelder. Daarnaast worden er strengere eisen gesteld aan de mensen die de dierproeven uitvoeren.’ De naam van het 3V-Centrum verwijst naar de drie v’s die proefdiergebruikers moeten nastreven: vervanging, vermindering, verfijning. Het Centrum maakt onderdeel uit van de Utrechtse faculteit Diergeneeskunde. Van der Valk is daarnaast verbonden aan het Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven.

Cursus
‘Nu hoeft iemand die dierproeven gaat opzetten alleen een algemene cursus proefdierkunde te volgen’, vertelt Van der Valk. ‘Als de nieuwe wet erdoor komt, dan komen er verschillende cursussen: een basismodule, die vergelijkbaar is met de huidige proefdierkundecursus, en daarnaast soortspecifieke modules. Iemand die met vissen werkt, moet andere dingen weten dan iemand die met varkens werkt.’

De nadruk komt te liggen op de kennis en vaardigheden van degene die de dierproeven opzet, uitvoert en proefdieren verzorgt. ‘Iemand moet aantoonbaar competent zijn’, legt Van der Valk uit, ‘en dus een tijdlang werken onder strikte supervisie, totdat hij heeft laten zien dat hij alle principes kent en beheerst. Daarbij maken we niet meer een onderscheid in niveau, bijvoorbeeld mbo of hbo, maar komen er aparte certificaten voor de mensen die dierproeven opzetten, dieren verzorgen en dierproeven uitvoeren.’ Zowel de supervisors als de toetsen moeten aan strenge eisen voldoen. ‘Uiteindelijk denk ik dat we naar een systeem toegaan zoals dat onder meer in Engeland al gangbaar is’, aldus Van der Valk, ‘waarbij iedereen een persoonlijk dossier heeft waarin wordt bijgehouden welke modules hij heeft afgerond en over welke competenties hij beschikt.’

Van der Valk is blij met de nieuwe wet. Het klinkt allemaal bureaucratisch, maar hij denkt dat het werkveld er daadwerkelijk door zal veranderen. ‘In elk geval zullen hierdoor ook de drie v’s weer wat hoger op de agenda komen te staan’, zegt hij. ‘Daar blijven we ook de aandacht op vestigen bij onze opleidingen. Proefdieren gebruiken doe je niet zomaar. Het beleid blijft: “nee, tenzij”.’


Kader: Alternatieven voor het onderwijs
Studenten in de medische en veterinaire hoek komen er niet onderuit: om de allerfijnste kneepjes te leren moeten ze op een bepaald moment snijden in echte dieren, ofwel natte preparaten. Die dieren worden van oudsher speciaal voor het onderwijs gefokt en gedood. Maar daarin komt langzaamaan verandering. De Utrechtse faculteit Diergeneeskunde neemt het voortouw. Ze maakt afspraken met onderzoekers om overbodige dieren die anders toch vernietigd zouden worden over te nemen. Dat zijn bijvoorbeeld vrouwtjes, die niet geschikt zijn voor sommige onderzoeken. En dan is er nog het Dierdonorcodicil van de Universiteit Utrecht in samenwerking met Stichting Proefdiervrij. Via dat initiatief kunnen eigenaren hun overleden huisdier doneren voor snijdoeleinden in het hoger onderwijs. Het initiatief is groeiende; vorig jaar werden circa vijftig honden, vijftig katten en enkele tientallen konijnen, cavia’s en ratten gedoneerd.

Modellen
Het overgrote deel van het onderwijs kan echter prima gebeuren met modellen. Die zijn er in allerlei soorten en maten. Het bedrijf Forma Fundo maakt bijvoorbeeld levensechte kunststof modellen van onderdelen van een hond: een kop om te intuberen en een voorpoot om het aanprikken van een ader te oefenen. De Universiteit Utrecht werkt met kunststof achterkanten van koeien, waarmee studenten kunnen oefenen in het palperen van een zwangere koe. De paraveterinaire opleidingen en opleidingen voor laboranten werken vaak met modellen van ratten en muizen.

De blikvanger van de Utrechtse Diergeneeskunde zijn de plastinaten (zie foto) van Arend Schot en collega’s. Plastinaten zijn geplastificeerde echte dieren of onderdelen daarvan, zorgvuldig geprepareerd. Via een ingewikkeld proces dat maanden duurt, wordt de vloeistof in alle cellen uiteindelijk vervangen door siliconen. De plastinaten zijn levensecht, hooguit wat bleek omdat er geen bloed meer in zit, en gaan een leven lang mee. ‘Wij hebben zelf nu zo’n tweeduizend plastinaten’, vertelt Schot, ‘variërend van ratten en vissen tot een koeienkop, een varken, een kameleon en sinds kort ook een vleermuis. We gebruiken ze voor het onderwijs. Daarnaast maken we ook plastinaten op aanvraag, voor musea, onderzoekers en scholen.’


Kader: Dieren op school
Op de basis- en middelbare school zijn dierproeven niet toegestaan. Maar niet alles wat je met dieren doet, geldt als dierproef. Dat is alleen zo als er levende gewervelden of inktvissen bij betrokken zijn en er kans is op ongerief. Zelfs het oppakken van ratten of muizen valt daaronder: dat levert stress op.

Wat mag er dan wel? Gebruik van ongewervelden (behalve inktvissen) en van dieren of delen van dieren die voor andere doeleinden zijn gedood, bijvoorbeeld slachtafval van voor consumptie geschikte dieren. Het is toegestaan een bevrucht kippenei open te maken tot tweederde van de ontwikkeling, dus grofweg de veertiende dag. Ook mogen levende gewervelden zoals ratten worden geobserveerd zolang ze in hun kooi blijven en er geen sprake is van ongerief. En kikkerdril van de gewone pad en de bruine of groene kikker mag uit de sloot worden gehaald. Zodra de kleine kikkertjes en padjes gaan springen, moeten ze terug.


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign