Dutch language English language

Voorproefjes - Afzien voor de wetenschap (nr. 2/2008)

(Dit artikel is ook te lezen als pdf. Klik hier om de pdf te zien.)

De binnenlanden van Noord-Scandinavië zijn prachtig, maar ook verraderlijk en onherbergzaam. Zeker voor wetenschappers in vroeger tijden, die het zonder wegen en kaart moesten stellen. En zonder muggenolie. Hun verhalen zijn vaak ijzingwekkend.  

Door Nienke Beintema

Finland, juni 2007. De dag is al bijna voorbij, ook al staat de zon nog hoog aan de hemel en fluiten de goudplevieren nog energiek. De plotselinge regenbui van zojuist is overgewaaid en ik trek mijn regenjas weer uit. Donkere wolken pakken zich nu samen boven de heuvels in de verte. Als het straks maar droog is, als ik daarginds mijn tent wil opzetten.

Ik loop westwaarts over de toendra, in de richting van de heuvel Stuor-Oivi, met in mijn rugzak een lichtgewicht tent, droge kleren en proviand voor vijf dagen. Een pad is er niet. Ik volg met behulp van kaart en GPS (global positioning system­) grofweg de Noors-Finse grens, die van nergens naar nergens lijkt te lopen. Het terrein is moerassig. Mijn broek is nat tot aan de knieën. Ik probeer zoveel mogelijk op de pollen lavendelheide te stappen, en niet ertussenin, maar toch kan ik niet voorkomen dat ik soms tot mijn kuiten in het veen zak.

Een grote zwerm muggen zoemt onophoudelijk rond mijn hoofd. Ze steken me nauwelijks, dankzij de giftige muggenolie van Tropenzorg. Wel adem ik nu en dan een mug in, waar ik onbedaarlijk van moet hoesten. Al twintig kilometer afgelegd vandaag, nog zo’n vier te gaan. Anders haal ik het niet in vijf dagen. Mijn gedachten dwalen af naar de man in wiens voetsporen ik hier loop.

Finland, juni 1847. De 34-jarige Noorse legerofficier Fredrik Klouman loopt westwaarts over de toendra, op weg naar de heuvel Stuor-Oivi. Het landschap is zo moerassig dat hij zijn paard en wagen heeft moeten achterlaten. Zijn wollen kleding is doorweekt tot op de huid. Het voordeel van de aanhoudende regen is dat er geen muggen zijn. Vandaag hoeft Klouman zich dus niet in te smeren met een mengsel van as en rendiervet om zich de kwelgeesten van het lijf te houden.

Op zijn rug heeft Klouman zijn legerrugzak met daarin een zware canvas tent en proviand voor een maand. In de Samische nederzetting Kautokeino heeft hij zijn voorraden kunnen aanvullen, maar hij zal vis en sneeuwhoenders moeten vangen om zijn dieet van scheepsbeschuit en gedroogd rendiervlees aan te vullen. Bovenop zijn rugzak heeft hij, in een brede bundel, zijn kostbare instrumenten gebonden: zijn grote verrekijker en zijn koperen universaalinstrument. Ook draagt hij een jachtgeweer. Zijn bepakking weegt zo’n veertig kilo, waardoor hij bij elke stap tot zijn kuiten in het veen zakt. Al twintig kilometer afgelegd vandaag, nog minstens tien te gaan. Anders haalt hij de kust van de Botnische Golf niet voor de eerste sneeuwval in oktober. Zijn gedachten dwalen af naar zijn opdrachtgever in Sint-Petersburg.

 

Zonder kaart

Vanuit het astronomisch observatorium in Pulkova, nabij Sint-Petersburg, coördineert de briljante wetenschapper Wilhelm Struve een megaproject. Met een team van medewerkers is hij al dertig jaar bezig de aarde op te meten over een afstand van bijna drieduizend kilometer: tussen de Noordkaap en de Zwarte Zee. Hij wil aantonen dat de aarde niet perfect rond is, maar afgeplat aan de polen (zie kader).

Tijdens de eerste jaren van zijn project trekt Struve zelf het veld in, maar nu hij de vijftig is gepasseerd, besteedt hij het zware veldwerk liever uit. Voor het Noord-Scandinavische stuk selecteert hij de veelbelovende Noorse legerofficieren Fredrik Klouman en Christopher Lundh, beiden begin dertig.

Vol goede moed vertrekken Klouman en Lundh in het voorjaar van 1845 per stoomschip richting de Noordkaap. Even voorbij Hammerfest slaat het noodlot echter toe: het schip wordt tijdens een hevige storm tegen de kliffen geblazen en vergaat. De opvarenden kunnen ternauwernood worden gered. Gelukkig hebben ze voor deze expeditie geen kostbare landmeetapparatuur bij zich die tijdens de schipbreuk verloren had kunnen gaan. Het doel van deze eerste zomer is namelijk enkel het selecteren en markeren van geschikte heuveltoppen, in een keten van driehoeken zuidwaarts vanaf de Noordkaap.

Al snel doet zich de volgende tegenslag voor. De Noordkaap blijkt als meetpunt ongeschikt. Doordat de kaap 237 meter loodrecht uit zee oprijst en de vochtige zeewind omhoog stuwt, is hij vrijwel altijd bedekt door een deken van dichte mist en regen. Uiteindelijk besluiten de jonge officieren daarom hun koers honderd kilometer te verleggen en hun keten te beginnen in het beschutte Hammerfest.

Ook het selecteren van de overige punten valt niet mee. Een kaart van Lapland bestaat er niet; alleen de kust is gekarteerd, voor de scheepvaart. Het binnenland is voor de hoge heren in Oslo, Stockholm en Helsinki namelijk oninteressant. Christopher Hansteen, de directeur van de Noorse Landmeetkundige Dienst, schrijft in 1845 aan zijn regering: “Het project van Struve is van groot wetenschappelijk belang en het heeft praktisch nut voor kustnavigatie. De metingen in het binnenland hebben verder geen praktische waarde, want deze regio zal nooit gekarteerd hoeven worden.” 

Klouman en Lundh trekken dus door het landschap zonder kaart. Waar mogelijk gebruiken ze paard en wagen, maar grote stukken zijn daarvoor te moerassig. Dan gaan ze te voet verder. Ze houden de juiste richting aan met behulp van hun kompas en maken onderweg een provisorische kaart. Ze zoeken op het oog naar heuveltoppen die voor driehoeksmeting geschikt zijn: markante toppen die vrij uitzicht bieden naar tenminste drie, maar liever nog vier of vijf andere heuveltoppen die ook deel uitmaken van de keten. En of zulk uitzicht er is, weten ze pas wanneer ze, zwaar bepakt met een stapel palen om een baken te bouwen, bovenop de bewuste heuvel staan. Kiezen ze vanaf die heuveltop de volgende kandidaat, zo’n dertig kilometer verderop, dan is het nog niet eens zo gemakkelijk die ook daadwerkelijk terug te vinden zodra ze weer afdalen en verder lopen. Door veranderend perspectief ziet een heuvel er vanaf de grond steeds anders uit.

 

Doorzetten

Terwijl Klouman en Lundh vanaf Hammerfest zuidwaarts werken, werkt een Zweeds team noordwaarts vanaf de Botnische Golf. Het is de bedoeling dat de beide teams elkaar in Kautokeino, ongeveer halverwege, zullen ontmoeten. Door verschillende tegenslagen lopen Klouman en Lundh echter vertraging op. Als ze eindelijk in Kautokeino aankomen, is er van het Zweedse team geen spoor te bekennen. Zweedse bakens kunnen ze in de heuvels niet ontdekken. Ze weten niet zeker hoe de vork in de steel zit en besluiten voor de zekerheid hun werk maar voort te zetten, helemaal tot de Botnische Golf. Het kost ze vele weken extra. Achteraf blijkt dat ze dubbel werk hebben verricht.

Het jaar erop beginnen Klouman en Lundh aan de eigenlijke metingen. Volgens het strenge protocol van Struve meten ze iedere hoek in de driehoeksketen maar liefst twaalfmaal, met een uiterste precisie. Na vijf maanden, als de winter inzet, zijn de mannen nog niet in Kautokeino. Lundh heeft het er helemaal mee gehad. Het volgende jaar keert hij niet terug. Klouman moet in 1847 de klus in zijn eentje afmaken.

En ook dan is hij er nog niet vanaf. In 1850 reist hij samen met de Zweedse astronoom Carl Lindhagen terug naar het hoge noorden. Lindhagen probeert in Hammerfest de benodigde astronomische observaties uit te voeren, terwijl Klouman in Alta, met moeite, een serie laatste metingen verricht. Achteraf schrijft Klouman in een brief aan zijn opdrachtgevers: “Als gevolg van het regenachtige, mistige en koude weer, waar Finnmark deze zomer een buitengewone overvloed van had, en waardoor met name het verblijf in de bergen in hoge mate ondraaglijk was, heeft het landmeetkundige werk een beduidend langere tijd in beslag genomen dan oorspronkelijk berekend. Op de astronomische observaties oefenden deze omstandigheden een nog ongelukkiger invloed uit. Doctor Lindhagen had tijdens zijn zes weken durende verblijf in Hammerfest niet eens zoveel heldere dagen als hij er weken doorbracht, en het aantal verkregen observaties was daarom geenszins zo groot als hij zich wenste en voor het doel noodzakelijk achtte.

Lindhagen heeft echter geluk: in de laatste drie weken van zijn verblijf verbetert het weer. Hij kan zijn werk precies op tijd voltooien om het allerlaatste stoomschip van dat seizoen te halen, voor de donkere winter inzet. In zijn dagboek beschrijft Lindhagen de terugreis langs de Noorse kust, een route die later ongekend populair zou worden bij toeristen, als “dodelijk saai”. Alles wordt bovendien overschaduwd door het feit dat zijn assistent onderweg ziek wordt en overlijdt.

Struve werkt intussen in Pulkova onvermoeibaar aan de uitwerking van alle metingen. Het laatste veldwerk wordt in 1855 voltooid, en in 1860 publiceert Struve de resultaten in twee boekdelen, die samen 961 pagina’s bevatten. Hij heeft nu het onomstotelijke bewijs geleverd: de aarde is afgeplat aan de polen.

 

Finland, juni 2007. Ik sta op de top van Stuor-Oivi. Om me heen zie ik niets dan heuvels, voor zover het oog reikt. Welke daarvan zou Klouman nog meer als meetpunt hebben gebruikt? Zou hij daar beneden ook om het moeras zijn heengelopen, of zou hij er dwars doorheen zijn gesopt? Zou hij hier ook even hebben gerust voor hij weer afdaalde, of zouden er daarvoor teveel muggen zijn geweest? In elk geval is hij hierboven hard aan het werk geweest, terwijl ik alleen maar uitrust, mezelf nog eens insmeer met muggenolie en foto’s maak van het uitzicht. Ginds is de volgende bui alweer in aantocht. Ik trek mijn outdoorjack weer aan en loop, met behulp van kaart en GPS, rustig terug naar mijn lichtgewicht tent.

 

[kader]

De boog van Struve

De Duitse astronoom Friedrich Georg Wilhelm Struve (1793-1864) begon op zijn 23e een wetenschappelijk project dat zijn weerga niet kende. Hij werkte tussen 1816 en 1855 aan een keten van driehoeksmetingen: veldmetingen waarmee men nauwkeurig hoeken en afstanden in het landschap kan bepalen. De keten zou zich uiteindelijk uitstrekken over 2822 kilometer, van Hammerfest bij de Noordkaap tot Ismael aan de Zwarte Zee. Het doel van deze monsteronderneming was ambitieus: Struve wilde de precieze vorm van het aardoppervlak meten.

Dat de aarde een bol was en geen platte schijf, daarover waren de geleerden het al wel eens. Waar ze echter over voortruzieden, was of de aarde een perfecte bol was, dan wel afgeplat aan de evenaar, of juist aan de polen. Isaac Newton had berekend dat dat laatste het geval moest zijn, maar veldmetingen van de Italiaan Jacques Cassini leken dat te bestrijden. Het werd tijd voor een onafhankelijk onderzoek. Struve ging de uitdaging aan, eerst alleen maar later met een team van medewerkers. Vanaf heuveltoppen en kerktorens bepaalden zij breedtegraden door de sterrenhemel te bestuderen, en maten ze een bijna drieduizend meter lange keten van driehoeken om de lengte van het bijbehorende stuk aardboog te bepalen (zie ook het artikel Aardmeting in NWT 12/2006). Ondanks de vaak barre omstandigheden in het veld en het ontbreken van moderne landmeetapparatuur zaten zij er gemiddeld per kilometer minder dan vijf millimeter naast. Na bijna veertig jaar van meten en rekenen wist Struve het zeker: de aarde is afgeplat aan de polen. Een conclusie van groot belang voor wetenschap en navigatie.

Struves team verrichte metingen op 265 punten in wat nu tien verschillende landen zijn: Noorwegen, Zweden, Finland, Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne. Vandaag de dag zijn 34 van de oorspronkelijke meetpunten nog als zodanig herkenbaar: ze zijn opgespoord, waar nodig uitgegraven en in ere hersteld. In 2005, precies 150 jaar na de voltooiing van Struves project, zijn deze 34 punten gezamenlijk op UNESCO-Werelderfgoedlijst geplaatst.

[einde kader]

 

 

[kader]

Ook Linnaeus worstelt in Lapland

Zweden, juni 1732. Carl Linnaeus, de botanicus die later onsterfelijk zou worden als de grondlegger van de wetenschappelijke naamgeving voor planten en dieren, maakt op 25-jarige leeftijd een onderzoeksreis door Lapland. Hij reist te paard, te voet of per roeiboot, soms met een helper maar vaak ook alleen.

Onderweg maakt de jonge Linnaeus een reisverslag. Hij beschrijft daarin gedetailleerd wat hij onderweg tegenkomt en illustreert zijn tekst met pentekeningen. Hoewel Linnaeus de natuur prachtig vindt, is hij over Lapland niet onverdeeld positief:

Onze laarzen stonden vol koud water, want op sommige plekken lag nog ijs. Had ik dit moeten doorstaan voor een grof misdrijf, was dit een strenge straf geweest, maar wat zal ik nu zeggen. Ik wenste toen nooit aan deze reis te zijn begonnen. En bovendien bleken alle elementen tegen ons te zijn, het regende en het begon te waaien. Ik was zelf verbijsterd dat ik het overleefde; echter volkomen uitgeput.

Om 6 uur ’s morgens gingen we zitten, wrongen onze natte kleren uit en droogden ons lichaam, hoewel de koude noordenwind ons aan de ene zijde net zo schaadde, als het vuur ons aan de andere zijde verbrandde en de muggen ons van opzij staken. Nu had ik genoeg van deze reis. Heel dit land van de Samen was een en al hoogveen, daarom noemde ik het Styx, nooit zou een dominee de hel zo beschrijven, want dit is erger. Nooit had de dichter de Styx zo lelijk kunnen schilderen, want dit is nog lelijker. De Styx heb ik doorwaad.

 

(Uit: Reis door Lapland 1732 – Het dagboek van Carl Linnaeus. KNNV Uitgeverij 2007)

[einde kader]

 

Meer lezen

Aardmeting, NWT 12/2006, te downloaden via deze website (zie Voorproefjes)

Reis door Lapland 1732 – Het dagboek van Carl Linnaeus.KNNV Uitgeverij 2007

Nooit meer slapen. Roman, W.F. Hermans.


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign