Dutch language English language

Voorproefjes - Moby Dick duikt weer op (nr. 10/2002)

 

Potvissen zijn de absolute recordbrekers in de dierenwereld. Ze kunnen tot drie kilometer diep duiken, meer dan twee uur hun adem inhouden en geluiden van ruim tweehonderd decibel produceren. Oog in oog staan met deze mysterieuze schepsels is een adembenemende ervaring. Voor onderzoek lenen potvissen zich echter minder goed.

Nienke Beintema

Het is een windstille dag en de zee is spiegelglad. De kleine houten vissersboot Reine ligt stil en deint zachtjes op en neer. Rond het schip dobberen tientallen papegaaiduikers en Noordse stormvogels. Een enkele jan van gent vliegt met grote vleugelslagen voorbij. In de verte is de kust te zien met spitse bergen en de rode vuurtoren van het vissersdorpje Andenes.

In deze rijke Noord-Noorse wateren wemelt het van de kabeljauw, maar daar is Reine niet op uit. In plaats van vissers zijn er toeristen aan boord, die ontspannen tegen de reling leunen met dure camera’s om hun nek. Walvissen, daar is het ze om te doen. Daarvoor zijn ze naar deze Arctische uithoek gekomen.

Twintig meter lang

Kapitein Geir heeft een tijdje geleden vanuit het kraaiennest een spuitwolk van een potvis aan de horizon ontdekt. Nu is het beest onder water verdwenen en bevinden we ons op de plek waar hij wegdook. Geir staat inmiddels weer aan het roer. Zijn zoon Glenn, de stuurman van Reine, luistert met een koptelefoon naar de potvisgeluiden die de onderwatermicrofoons opvangen. “Ik hoor er minstens drie”, meldt Glenn. “Twee aan stuurboord en één aan bakboord. Wacht...” Hij luistert geconcentreerd. “Die aan bakboord is dichterbij.” Heel langzaam stuurt Geir de boot naar links. “Stop! Nu ligt hij pal onder ons.” Glenn zet de koptelefoon af en schakelt de onderwatermicrofoons over op de luidsprekers aan dek. Eens per seconde is een metaalachtige tik te horen, afgewisseld met langere ratels: klik... klik... klik... klik... trrrrrrrrrrr... klik... klik... Na een tijdje houdt het klikken plotseling op. “Hij is vast op weg naar boven”, waarschuwt Glenn. De spanning stijgt. Vele paren ogen speuren het wateroppervlak af. “Ja!” roept Geir plotseling. “Potvis aan stuurboord!”

Een fors exemplaar ligt roerloos aan de oppervlakte op een steenworp afstand van de boot. Enthousiast zoekt iedereen een plekje langs de reling. Alleen de kleine bruine rugvin is te zien. Elke tien, vijftien seconden blaast het beest onder luid geproest een krachtige spuitwolk de lucht in, en zien we de bovenkant van zijn gigantische kop. Het S-vormige blaasgat bevindt zich aan de linkerkant van de kop, waardoor de potvis schuin omhoog blaast. Voorop de kop zien we een paar indrukwekkende littekens. Verder is de kop glad, in tegenstelling tot de rug die gerimpeld is en aan een reuzegrote naaktslak doet denken. De staart is niet te zien, maar gezien de grootte van de kop moet deze joekel bijna twintig meter lang zijn. Na een minuut of tien verdwijnt het beest even helemaal onder water. Dan verschijnt de neus voor een laatste proest, en kromt de potvis zijn rug. Langzaam komt de vier meter brede staart in zijn volle lengte naar boven. Het water dat eraf druipt, schittert in het zonlicht. Na een paar seconden is de staart helemaal verticaal, waarna hij elegant onder water verdwijnt.

Middernachtzon

“Dit is wat we al elf jaar elke zomer doen”, vertelt Kjetil, machinist van Reine en tevens de broer van kapitein Geir. Het vierde bemanningslid is vader Gunnar, die vierenzeventig jaar oud is maar nog altijd in weer en wind de mast beklimt. De vier familieleden werken samen als een geoliede machine.

“Saai wordt het nooit”, zegt Kjetil. “De potvissen zijn weliswaar een beetje alledaags, maar soms gedragen ze zich bizar. Dan gaan ze bijvoorbeeld op hun zij liggen en kijken je aan met één oog. Of ze springen opeens helemaal uit het water. Verder weet je natuurlijk nooit wat je op zee tegenkomt. Dat houdt het spannend. Groepen orca’s bijvoorbeeld, fantastische beesten.” Kjetils ogen beginnen te glinsteren als hij vertelt over de allermooiste tocht die hij zich kan herinneren. “Het was prachtig weer, stralende middernachtzon, maar die pokkebeesten waren nergens te vinden. Omdat het zo mooi op zee was bleven we gewoon doorvaren. De volgende ochtend waren we pas weer terug. We waren mijlenver uit de kust, zagen opeens allerlei andere soorten. Een vinvis bijvoorbeeld, die rondjes om de boot heen zwom, en zelfs onder ons door. Dat vergeet je nooit weer.”

Marien bioloog Daniele Zanoni, als onderzoeker mee aan boord, deelt dat enthousiasme. “Potvissen blijven me fascineren, al heb ik er al honderden gezien. Gisteren was er een zo dichtbij dat we hem bijna konden aanraken. Met mijn driehonderd-millimeterlens kreeg ik de staart niet eens helemaal in beeld!” Zodra een walvis duikt, zet Zanoni de staart op de foto. “Iedere staartvin is uniek”, vertelt hij. “Daardoor kunnen we de potvissen individueel herkennen. Dat is een ideale manier van onderzoek doen: je verstoort de beesten totaal niet. In onze catalogus zoek ik vervolgens op om welke walvis het gaat. Begin mei zagen we een oude bekende, Moby Dick, die hier sinds 1989 ieder jaar is teruggekomen.”

Voedselrijke wateren

Zanoni verliet zijn thuisland Italië drie jaar geleden om walvissen te bestuderen via de Universiteit van Tromsø. Hij is niet de eerste die veldwerk doet vanuit Andenes; wetenschappers uit de hele wereld gingen hem voor. In deze wateren vind je de potvissen namelijk uitzonderlijk dicht bij de kust. Elders moet je urenlang varen voor de zee diep genoeg is, maar bij de eilandengroep Vesterålen bevindt de rand van het continentale plat zich op slechts vijftien kilometer van de kust. De zeebodem duikt daar steil naar beneden naar een diepte van meer dan duizend meter. Aangedreven door wind en kuststromen welt er langs die rand voedselrijk water vanuit de diepzee naar de oppervlakte. In combinatie met hele etmalen zonlicht zorgt dat voor een extreem hoge productie van plantaardig plankton. Dat vormt de basis van de lokale voedselpiramide, waarvan de inktvis-etende potvissen de top vormen. Alleen al in de kleine onderwaterkloof vlakbij de kust vertoeven gedurende de hele zomer minstens veertig individuen.

Het walviscentrum in Andenes is niet alleen een onderzoekscentrum, maar tevens museum en uitvalsbasis voor walvissafari’s. “Walvisonderzoek is erg duur”, vertelt Zanoni, “vooral vanwege het varen met zulke boten. En dan heb je nog allerlei materiaal nodig, zoals camera’s, films, statieven, computers en geluidsapparatuur. Als je het onderzoek combineert met safari’s, sla je twee vliegen in één klap. Bovendien vinden veel toeristen het een mooi idee dat een deel van hun geld naar onderzoek gaat.”

Winters veldwerk

De potvissen in deze omgeving zijn enkel geslachtsrijpe mannetjes. Vrouwtjes en onvolwassen dieren komen niet zo noordelijk, omdat het hier voor de jongen te koud is. Zij hebben nog niet de vijftig centimeter dikke speklaag die ze in de Arctis nodig hebben. Pas na een jaar of vijftien verlaten jonge mannetjes voor het eerst hun geboortegebied rond de Azoren en de Canarische Eilanden om zich tegoed te doen aan de overvloed van de poolzee. Als ze na een aantal jaren groot en sterk genoeg zijn om een harem te veroveren, zwemmen ze jaarlijks in de herfst naar het zuiden voor de paartijd. In het voorjaar keren ze terug naar Noord-Noorwegen.

 “Die migratie is uitgebreid onderzocht met foto-identificatie”, vertelt Zanoni, “maar het is niet bekend hoe de beesten zich ‘s zomers bewegen. Dat is het onderwerp van mijn onderzoek: ik wil uitvinden of hun verplaatsingen samenhangen met factoren als wind, stroming, temperatuur en de aanwezigheid van chlorofyl.” Chlorofyl, het licht-fixerende pigment van plantaardig plankton, is een indicator voor de voedselrijkdom van een gebied. Vanuit satellieten kanmen de hoeveelheid chlorofyl meten. “De data van de afgelopen jaren staan gewoon op internet”, vertelt Zanoni, “en daar kanik ook alle meteorologische gegevens vinden.”

Het foto-identificatieproject in Andenes loopt al twaalf jaar. De database bevat gedetailleerde waarnemingen van meer dan vierhonderd individuen. Zanoni beschikt daardoor nu al over een schat aan informatie. “Toch blijf ik foto’s maken vanwege het lange-termijnonderzoek. Bovendien wil ik dit jaar de bewegingen in zomer en winter met elkaar vergelijken.” Dergelijk onderzoek is uniek. Nog nooit heeft iemand hier ’s winters veldwerk gedaan. Dat komt doordat het dan niet alleen koud is, maar ook aardedonker. Bovendien kande zee ’s winters behoorlijk spoken. “Mij lijkt het eigenlijk wel spannend”, lacht Zanoni. “Zeeziek word ik gelukkig niet, en daarnaast ben ik verschrikkelijk nieuwsgierig naar hoe het zit. Ik verwacht overigens alleen heel oude mannetjes te zien, en beesten die nog maar net geslachtsrijp zijn. Die blijven hier omdat ze toch geen enkele kansmaken bij de wijfjes.”

Zanoni heeft nog niet veel tijd gehad voor dataverwerking, maar vermoedt al wel het een en ander. “Walvissen trekken zich van slecht weer niets aan. Volgens mij volgen ze enkel het voedsel. Nadat we een paar dagen storm uit het noordoosten hebben gehad, vinden we de walvissen altijd aan de zuidwestkant van de onderwaterkloof, en andersom. Je kunt het bijna voorspellen. Daar is dan al het voedsel heengestuwd.” Helaas heeft Zanoni niet de middelen om zelf watermonsters te analyseren. Zijn onderzoek blijft dus een kwestie van indirect correleren. Toch gelooft hij dat goed onderzoek op deze manier mogelijk is. “En ik ben koppig: ik geef niet op voor ik precies weet hoe het zit.”

Lampenolie

Inmiddels is de potvis die we zojuist hebben zien duiken, al ruim een half uur onder water. We dobberen rustig rond en wachten simpelweg tot hij weer naar boven komt. Glenn houdt hem nauwlettend in de gaten met de hydrofoons. Ondertussen beantwoorden mijn collega’s en ik de meest uiteenlopende vragen van toeristen. Hoe lang een potvispenis is, bijvoorbeeld (tot één meter tachtig lang), en hoe walvissen paren (op hun zij, buik aan buik). Ook zonder dergelijke pikante details zijn deze recordbrekers al ontzagwekkend. Potvissen kunnen bijvoorbeeld tot drie kilometer diep duiken en meer dan twee uur onder water blijven. Ze ademen veel efficiënter dan wij, doordat hun bloed naar verhouding meer rode bloedlichaampjes bevat. Daarnaast zitten hun spieren vol met het eiwit myoglobine. Daarmee kande walvis grote hoeveelheden zuurstof opslaan. Bovendien vertraagt tijdens een duik de hartslag en gaat er minder bloed naar de huid, de staart en de flippers. Daardoor blijft er meer zuurstof over voor de hersenen en de belangrijke organen.

De kop van de potvis is helemaal met olie gevuld. Een volwassen mannetje, dat zestig ton kanwegen, heeft er zo’n vijf ton van. Deze prachtige heldere substantie – waarvan men vroeger overigens dacht dat het sperma was, vandaar de naam ‘sperm whale’ in het Engels – is ideaal als lampenolie, wat ’s werelds potvispopulatie in het verleden allesbehalve goed heeft gedaan.

Over de functie van het olieorgaan zijn de experts het oneens. In 1970 suggereerde Malcolm Clarke dat potvissen de dichtheid van de olie kunnen reguleren, wat handig is bij het duiken. Door koud zeewater in het blaasgat te laten stromen, kande walvis de olie afkoelen. De olie krimpt, de dichtheid neemt toe en de walvis zinkt naar beneden. Wil hij weer omhoog, dan stimuleert hij de bloedsomloop rond zijn olieorgaan, waardoor de olie uitzet en hij weer naar boven drijft. “Veel mensen proberen die theorie onderuit te halen,” aldus prof dr John Videler, hoogleraar mariene zoölogie aan de Rijksuniversiteit Groningen, “maar ik geloof nog steeds in dat verhaal. Het is alleen heel lastig te bewijzen.” De anatomie van het olieorgaan is moeilijk te onderzoeken, doordat een dode walvis boven water meteen in elkaar zakt. “Er is nog weinig duidelijkheid over het luchtkanaal dat vanaf het blaasgat dwars door de olie naar de longen loopt”, vertelt Videler. “Je zou verwachten dat het allerlei zijkanalen heeft voor oppervlaktevergroting. De bloedsomloop in de kop is in ieder geval heel ingewikkeld. Dat wijst erop dat dergelijke warmteregulatie best plaats kanvinden, maar hoe effectief dat is, is onbekend. Daar zijn voor zover ik weet geen metingen van.”

Vaststaat in ieder geval dat de olie een rol speelt bij de echolocatie. In de diepzee is het pikkedonker, dus gebruiken potvissen sonar bij het opsporen van hun voedsel. Voorin hun neus produceren ze klikgeluiden, die achterwaarts gericht zijn en weerkaatsen tegen het paraboolvormige achterhoofd. Vervolgens komt het geluid door het olieorgaan weer terug. De walvis kande geluiden heel precies richten door met spieren de vorm van zijn oliehoofd aan te passen. Voor het opsporen van prooien stuurt hij het geluid gelijkmatig naar alle kanten, maar hij kande geluidsenergie ook heel lokaal concentreren. Zo kanhij inktvissen verdoven, of zelfs doden, met geluidsgolven van meer dan tweehonderdtwintig decibel. Geen enkel ander levend wezen kanzo’n sterk geluid voortbrengen. Hoe dat geluidskanon precies werkt en of potvissen het ook voor andere doeleinden gebruiken, is nog een raadsel. Diepzeeonderzoek met hydrofoons is buitengewoon lastig en duur. Pas zeer recent heeft men de geluidsniveaus en het richtvermogen voor het eerst precies gemeten.

Duiken met potvissen

Deze zomer verscheen er een wetenschappelijk artikel met een derde theorie. De olie zou als stormram kunnen dienen en dus een rol spelen bij agressie. “Het is inderdaad waargenomen dat mannetjes opzettelijk met hun koppen tegen elkaar botsen”, vertelt Videler. “De gegevens van deze studie zijn goed, maar de getallen die uit het model komen, moeten we met een korrel zout nemen. Niemand kent bijvoorbeeld precies de dempingfactor van de kop. Er is nog veel speculatie, maar helaas lenen potvissen zich slecht voor onderzoek.” Men weet in ieder geval dat ze probleemloos houten schepen van drie- tot vijfmaal hun eigen gewicht tot zinken kunnen brengen. De klassieker Moby Dick van Herman Melville, waarin het schip de Essex op die manier vergaat, is werkelijk gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Reine, een houten scheepje van honderdvijftig ton en dertig meter lang, zou voor een agressieve potvis geen partij zijn. Daarvoor hoeven we echter niet bang te zijn. De dieren die wij tegenkomen, trekken zich nauwelijks iets van ons aan. Soms komen ze zelfs nieuwsgierig een kijkje nemen. Alleen met een harpoen in hun lijf verliezen potvissen hun zelfbeheersing. Dat risico lopen ze nu niet meer, want potvissen zijn wereldwijd beschermd. De walvissen die men in Noorwegen nog altijd bejaagt, zijn enkel dwergvinvissen. Daarvan is de wereldpopulatie groter dan ooit, dus mogen de Noren er jaarlijks zeshonderd doden. In het hele land kun je de malse walvisbiefstuk in de supermarkt kopen.

“Eigenlijk weten we nog bijzonder weinig van walvissen“, vertelt Videler. “Het zijn unieke beesten met heel gekke aanpassingen. Maar wat ik volstrekt niet begrijp, is dat walvissen in de loop van de evolutie nog niet hebben geleerd hun zuurstof uit het water te halen. Zulke dingen houden me ontzettend bezig.” Ook het enthousiasme van Daniele Zanoni, op de uitkijk bovenop de stuurhut van het schip Reine, komt voort uit verbazing. “Het leven onder de wateroppervlakte blijft mysterieus”, zegt hij. “Daarom vind ik duiken zo geweldig. Voor het einde van het seizoen wil ik beslist eens met de potvissen gaan duiken. Het hele lichaam zien, niet alleen de neus of de staart, dat lijkt me fantastisch. Van heel dichtbij bekijken hoe zo’n enorm beest zich beweegt in zijn natuurlijke omgeving...” Zanoni wordt in zijn gemijmer onderbroken door de schreeuw van de kapitein: “Ja! Daar is ‘ie weer! Aan bakboord deze keer!” Zanoni brengt zijn telelens in gereedheid. Hij kijkt tevreden naar de potvis, die luidruchtig langszij ligt te blazen.

Literatuur:

Mark Carwardine e.a.: Whales & Dolphins. The ultimate guide to marine mammals. HarperCollins Publishers, Londen, 1998, ISBN 0002201054

Online-catalogus van potvissen in de noordelijke Atlantische Oceaan: klik hier


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign