Dutch language English language

Voorproefjes - Taal in verandering (hoofdstuk in boek 'Experiment NL - Wetenschap in Nederland)

 

[Hoofdstuk in boek 'Experiment NL - Wetenschap in Nederland' (2009)]

Het Nederlands van nu is heel anders dan dat van vijftig jaar geleden. Sommige mensen noemen dat verloedering, maar taalverandering is van alle tijden. Wat nu ‘fout’ is, is straks misschien ‘goed’ Nederlands. ‘Een levende taal is een dynamische taal.’

Nienke Beintema

Het is een van de grootste ergernissen van leraren en de oudere generatie: ‘hun hebben’. Taalonderzoeker Hans Bennis ligt er niet wakker van. In tegendeel, hij vindt dit soort verschijnselen juist erg interessant. ‘Wist je dat ‘u heeft’ 150 jaar geleden ook fout was?’ vraagt hij. ‘Vroeger was ‘u’ alleen maar lijdend of meewerkend voorwerp: ‘Ik zie u’, of ‘Ik geef u een boek’. Als onderwerpsvorm moest je ‘ge’ of ‘gij’ gebruiken: ‘gij hebt’.’

De constructie ‘u heeft’ is dus niet anders dan ‘hun hebben’, alleen die eerste is al zo’n anderhalve eeuw geaccepteerd. Destijds riep ‘u heeft’ evenveel verontwaardiging op als ‘hun hebben’ vandaag de dag. ‘De schrijver Jacob van Lennep heeft zich er bijvoorbeeld hevig tegen verzet’, vertelt Bennis, ‘maar niet veel later was ‘u heeft’ volledig geaccepteerd, en verdween ‘ge’ uit de standaardtaal. Tien tegen een dat ‘hun hebben’ over een tijdje ook helemaal niet meer als fout wordt gezien.’

Standaardtaal

‘Precies het omgekeerde is er aan de hand met het woord ‘ze’’, vervolgt Bennis, die zich als hoogleraar taalverandering dagelijks met dit soort voorbeelden bezighoudt. ‘‘Ze’ wordt soms als lijdend voorwerp gebruikt, terwijl het oorspronkelijk alleen onderwerp kon zijn. Als ik zeg: ‘Ik heb ze gezien’, dan is dat eigenlijk fout: het moet zijn ‘ik heb hen gezien’. Maar omdat het soms niet duidelijk is of het ‘hen’ of ‘hun’ moet zijn, kiezen we voor de makkelijke weg.’

Hoe zat het ook alweer? ‘Hen’ en ‘hun’ laten het verschil zien tussen lijdend en meewerkend voorwerp: ‘ik sla hen’, maar ‘ik geef hun een boek’. Lang niet iedereen weet nog het verschil, en daarnaast zijn er twijfelgevallen. Vrijwel niemand zal het zonder nadenken automatisch goed doen. ‘Bovendien is het verschil kunstmatig’, zegt Bennis laconiek. ‘Aan het begin van de 17de eeuw, toen het Standaardnederlands werd vastgesteld, heeft iemand dat verschil bedacht’, legt hij uit. Het was vooral gebaseerd op de gedachte dat het Nederlands, net als bijvoorbeeld het Duits en het Latijn, een verschil moest maken tussen de derde en de vierde naamval. Nergens in het land was dat onderscheid aanwezig in de spreektaal. Bennis: ‘‘Hen’ en ‘hun’ waren hooguit dialect- of uitspraakvarianten van elkaar. In dat verband is het wonderlijk dat er nooit een onderscheid tussen ‘hem’ en ‘hum’ is ingevoerd, zoals P.C.Hooft schijnt te hebben voorgesteld.’

Taal wordt grotendeels bepaald door wat functioneel is in communicatie. Wat niet handig of nuttig is, verdwijnt uiteindelijk, en wat dat juist wel is, ontstaat vanzelf of wordt vanuit een andere taal geadopteerd. Dat is een natuurlijk proces dat van alle tijden is, en dat je niet tegenhoudt, stelt Bennis. In de Nederlanden werden van oudsher allerlei dialecten gesproken, en er was niet één uniforme nationale spelling of grammatica. Aan het begin van de 17de eeuw, toen er behoefte was aan meer eenheid en nationale identiteit, is de Nederlandse standaardtaal vastgelegd. Daarvoor werd het Hollands-Brabantse dialect als basis genomen, omdat in dat deel van de Nederlanden de meeste bestuurlijke beslissingen werden genomen. Wat wel en niet als standaardtaal werd aangemerkt, was betrekkelijk willekeurig, aldus Bennis. ‘Bovendien kun je een taal niet op één punt in de tijd fixeren’, zegt hij. ‘Sindsdien zijn er weer allerlei dingen veranderd.’

Modeverschijnselen

Nog opvallender dan de grammaticale veranderingen zijn de nieuwe woorden die in een taal opduiken. Die zijn een weerspiegeling van ontwikkelingen in de maatschappij, vertelt Bennis. Soms is het direct functioneel, zoals termen voor nieuwe begrippen in de computerwereld, en soms gaat het om modeverschijnselen. Zo hebben ‘dol’ en ‘mieters’ inmiddels, via ‘te gek’, ‘onwijs gaaf’ en ‘strak’, plaatsgemaakt voor ‘vet cool’ en ‘relaxed’.

Taal verandert sneller naarmate er meer contact is met andere talen. Het IJslands, de taal van een klein, geïsoleerd eiland, lijkt bijvoorbeeld nog sterk op het Oud-Scandinavisch, en heeft verschillende naamvallen en vervoegingsvormen die in de andere Scandinavische talen al lang verloren zijn gegaan. Het Zuid-Afrikaans is qua vervoeging veel simpeler dan het Nederlands: de taal heeft zich tussen allerlei lokale talen staande moeten houden en is daardoor beïnvloed.

‘Ook nu zie je dat het Nederlands sneller verandert onder invloed van de ‘nieuwe Nederlanders’’, zegt Bennis. Ten goede, vindt hij: de taal wordt er enerzijds rijker door, doordat zij woorden en uitdrukkingen aan de taal toevoegen, en anderzijds juist simpeler en duidelijker, doordat zij overbodige aspecten laten vallen. ‘Neem nu ‘een mooie meisje’, iets wat je bij allochtonen vaak hoort’, zegt Bennis. ‘Probeer maar eens uit te leggen waarom we zeggen: een mooie vrouw, het mooie meisje, de mooie meisjes, maar een mooi meisje. Dat is erg ingewikkeld. Bovendien is het onderscheid niet meer functioneel, want de betekenis staat los van het geslacht van een woord. Het is ‘het boek’, maar ‘de roman’. En ‘het wijf’, maar ‘de kerel’. Dit soort overblijfselen uit een ouder taalstadium zullen uiteindelijk verdwijnen, vooral als het Nederlands veel wordt geleerd door anderstaligen.’

Goed of fout?

Wordt taal dan per definitie steeds simpeler? ‘Nee’, zegt Bennis. ‘Misschien alleen als het gaat om specifieke constructies die nu niet meer functioneel zijn. Maar daar komen andere, nieuwe, soms ingewikkelde constructies voor in de plaats, die inspelen op de taalbehoeften die er dan heersen.’

Maar wie bepaalt dan wat goed en fout Nederlands is? ‘Niemand’, zegt de taalonderzoeker. ‘Er is geen nationale commissie voor goede woorden of voor de juiste grammatica. Wel voor spelling trouwens, maar daar komt alleen maar narigheid van. Het Groene Boekje mag van mij meteen worden afgeschaft.’

Voor de Nederlandse woordenschat is er weliswaar de dikke Van Dale – en zijn nog dikkere broer het Woordenboek der Nederlandsche Taal – en voor grammatica de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Maar die leggen enkel vast wat er op taalgebied gebeurt; ze schrijven niet voor. Dat is een fundamenteel verschil, benadrukt Bennis. ‘Er is dus geen officiële norm voor correct of incorrect Nederlands. Iets is goed Nederlands als veel mensen het zeggen. Of als het op het NOS-Journaal wordt gezegd. Van Philip Freriks verwacht je niet dat hij ‘hun hebben’ zegt, maar van een voetballer kijkt niemand ervan op.’ Het is interessant, vindt Bennis, te proberen de dynamiek van onze taal te doorgronden: waar zitten die veranderingen, waarom vinden ze plaats, welke groeperingen hebben daar invloed op en hoe snel gaat het? Want dat ‘goed Nederlands’ verandert, staat buiten kijf. ‘Ook een levende taal moet met zijn tijd meegaan.’

 

[quotes]

< Destijds riep ‘u heeft’ evenveel verontwaardiging op als ‘hun hebben’ vandaag de dag>

[Kader]

‘Zijn eigen’, ‘hemzelf’ of ‘zichzelf’?

Veel mensen vinden de constructie ‘hij wast zijn eigen’ afschuwelijk klinken. Toch is dat wat het merendeel van de Nederlanders in zijn moedertaal zegt. Hans Bennis haalt een recente dialectatlas van Nederland tevoorschijn, de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten uit 2005/2008, die voor allerlei verschijnselen, onder andere wederkerende werkwoorden zoals ‘zich wassen’, laat zien wat er waar wordt gezegd. In het westen en in Brabant zegt men vooral ‘hij wast zijn eigen’. In Vlaanderen en in Friesland is het ‘hij wast hem’. Alleen in het oosten van het land, langs de grens met Duitsland, is ‘hij wast zich’ dominant. ‘In het Middelnederlands was er geen wederkerende vorm’, zegt Bennis. ‘Toen men daar behoefte aan kreeg, namelijk om het verschil aan te geven tussen jezelf wassen en een ander wassen, koos men voor ‘zijn eigen’, ‘zich’ of ‘hemzelf’. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat de ontwikkelaars van de standaardtaal aan het begin van de 17de eeuw hebben gekozen voor het germanisme ‘zich’. Het was toen, en ook nu, in elk geval niet representatief voor de spreektaal.’

[Kader]

Philip Freriks over taalverandering

Hij is al jarenlang het gezicht van het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Hij presenteert bovendien het NOS-Journaal. Philip Freriks is als geen ander de vertegenwoordiger van ‘keurig sprekend Nederland’.

Is het erg dat taal verandert?

‘Natuurlijk is taalverandering iets van alle tijden. Maar er zijn toch bepaalde dingen die ik jammer vind, zoals het onnodig gebruik van Engelse constructies. En natuurlijk maak ik zelf ook weleens taalfouten – maar dat krijg ik dan vaak ook meteen te horen.’

Doet u extra uw best omdat u nieuwslezer bent?

‘Ja, maar dat is ook mijn vak. Je kunt niet doen alsof je met je tante aan het praten bent. Maar ik doe vooral mijn best om dingen zodanig te formuleren dat ze duidelijk zijn. Dat doe ik niet uit taalpurisme; het is puur functioneel. Er zit iets heel ambachtelijks aan. Taal is mijn instrument.’

Heeft het Journaal wat taal betreft een voorbeeldfunctie?

‘Nee, wij zijn niet een soort ‘taalpolitie’ van Nederland. Onze taak is nieuws brengen, meer niet. Ik zie het meer andersom: dat het Journaal een indicator is van wat er in de samenleving met taal gebeurt.’

Als u naar het Polygoonjournaal luistert, bijvoorbeeld van vijftig jaar geleden, wat valt u dan op?

‘Het is natuurlijk een beetje gedateerd, maar het geeft een prachtig tijdsbeeld. Philip Bloemendal had een erg mooi taalgebruik, hij speelde met taal. Hij had een fantastische stem, en sprak alles erg deftig uit. Dat gaf het Polygoonjournaal dat officiële sfeertje dat toen gangbaar was. Nu is het Journaal veel informeler. Ook die vorm van taalverandering weerspiegelt dus hoe de samenleving zich ontwikkelt.’

Horen we dan over vijftig jaar wellicht ‘hun hebben’ op het Journaal?

‘Wie weet.’ Freriks lacht. ‘In vijftig jaar kan er veel gebeuren.’

[Kader:]

Cruijffiaans en Koot-en-Bie-ismen

Sommige nieuwe woorden zijn direct terug te leiden tot specifieke bekende Nederlanders. Wim T. Schippers bedacht bijvoorbeeld ‘gekte’, Marten Toonder lanceerde in zijn Bommelstrips woorden als ‘minkukel’ en ‘denkraam’. Het woord ‘doemdenken’ zag het licht in een televisie-uitzending van Kees van Kooten en Wim de Bie. Zij bedachten ook de termen ‘slinks’, ‘krasse knar’ en ‘jemig-de-pemig’. Deze ‘Koot-en-Bie-ismen’ zijn inmiddels niet meer weg te denken uit het Nederlands.

Voetbalgoeroe Johan Cruijff kan er ook wat van. Hij gebruikt niet alleen de bekende ‘foute’ constructies zoals ‘hun hebben gewonnen’, ‘hij heb de bal’, en ‘dat ken niet’, maar hij introduceerde ook geheel nieuwe constructies. Hij zegt bijvoorbeeld vaak ‘je’ waar hij ‘ik’ of ‘wij’ bedoelt: ‘Je hebt de wedstrijd naar je toegetrokken’.

Cruijff gebruikt daarnaast altijd ‘wie’ als betrekkelijk voornaamwoord: ‘de man wie de bal heeft’, en zelfs ‘het spelletje wie we gewonnen hebben’. Hij bedacht bovendien verschillende uitdrukkingen die inmiddels ook buiten de voetbalwereld te horen zijn: ‘Ieder voordeel heb zijn nadeel’, ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’, en ‘Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen’.

[Kader]

Bond tegen Leenwoorden

Veel Nederlandse woorden hebben een buitenlandse oorsprong: niet alleen Engelse woorden zoals computer, maar ook woorden als accepteren, dat via het Frans uit het Latijn is overgenomen.

De Bond tegen Leenwoorden probeert het Nederlands ‘puur’ te houden door voor zoveel mogelijk leenwoorden een alternatief te bieden. Sommige alternatieven liggen voor de hand, zoals ‘verdeling’ in plaats van ‘distributie’, en ‘volksraadpleging’ in plaats van ‘referendum’. Maar soms is zo’n alternatief niet voorhanden, en dan bedenken de Bondleden zelf een woord. Een kleine greep uit de lijst op de BTL-‘webstek’:

 

Leenwoord                 Alternatief

Computer                    Rekentuig

Accordeon                  Balgharp

Babysitter                    Wiegenwacht

Cruise control              Rij-geleider

Airbag                         Botsbuidel

Helikopter                   Wentelwiek

Douche                        Stortbad

Radio                          Omroepvanger

Nicotine                       Rookloofbitter

Flamingo                      Vuurreiger


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign