Dutch language English language

Voorproefjes - "Ouder worden" - Hoofdstuk in Winkler Prins Medisch Handboek 2007

 

Mensen worden ouder dan elk ander zoogdier. Met de jaren verandert ons lichaam dramatisch. We gaan er ouder uitzien, onze lichaamsfuncties verslechteren en we worden vaker ziek. Toch voelen veel ouderen zich vitaal en gezegend. Ouder worden is een fascinerend proces.

Nienke Beintema

[chap k1]De grootste paradox van het leven[/chap k1]

[k1]Ouderdom maakt de mens uniek[/k1]

Ouder worden is een merkwaardig verschijnsel. Niemand weet precies hoe en waarom we ouder worden, en iedereen ervaart het proces op zijn eigen manier. De een zit op zijn zeventigste blind in een rolstoel, de ander reist op zijn honderdste de hele wereld over. Eén ding geldt echter voor iedereen: ouder worden gaat gepaard met opmerkelijke tegenstellingen.

Vanaf een jaar of achttien zijn we lichamelijk volgroeid, maar in de decennia daarna verandert ons lichaam nog bijna net zo ingrijpend als daarvoor. In tegenstelling tot een eikenboom worden we niet steeds groter, sterker en mooier totdat we opeens instorten en sterven. Integendeel: gedurende driekwart van ons leven gaan we achteruit. We krimpen, krijgen rimpels, worden grijs en kaal, gaan krom lopen en kunnen steeds slechter horen en zien. Onze organen en lichaamsdelen gaan minder goed werken. Uiteindelijk lijken we in bijna niets meer op de persoon die we als achttienjarige waren.

Toch leveren we onze grootste levensprestaties juist in die laatste driekwart van ons leven. We vinden werk, krijgen kinderen, voeden ze op, maken carrière en gaan met ons 65e met pensioen om nu eens echt van het leven te gaan genieten. Echter, dan is ons lichaam al ver over zijn top heen. Voor veel mensen is de pensioenperiode niet de beste tijd om van het leven te genieten. Vaak maakt ouderdom kwetsbaar en afhankelijk. Terwijl veel ouderen hun hele leven voor anderen hebben gezorgd, zijn ze nu overgeleverd aan de hulp van anderen. Iedere schaamte voorbij, moeten ze zich laten wassen en verschonen door vreemden. Na jaren van werken en zorgen hebben ze eindelijk vrije tijd, maar een bros lichaam weerhoudt hen ervan de avonturen te ondernemen waar ze altijd van droomden.

Toch ervaren veel mensen hun oude dag als een rijke en waardevolle periode. Ze kampen niet meer met de alledaagse stress van carrière, kinderen en financiën. Ze voelen zich zekerder over zichzelf, gesterkt door ervaringen, en blikken terug op een leven vol mooie herinneringen. Door nabije confrontaties met ziekte en dood staan ze realistischer en weerbaarder in het leven en waarderen ze de mogelijkheden die ze nog wél hebben.

De oude dag, kortom, is een tijd van achteruitgang, maar tegelijkertijd van een bijzonder soort groei, kansen en mogelijkheden. Mede daardoor onderscheiden we ons van alle andere diersoorten op aarde. Ouderdom maakt de mens uniek.

[k1]Mensen leven langer dan andere zoogdieren[/k1]

Mensen kunnen maximaal ongeveer 120 jaar oud worden. In ons land worden we gemiddeld bijna tachtig jaar oud. Daarmee worden we ouder dan welk ander zoogdier dan ook. Zelfs olifanten en walvissen laten we achter ons. Het meest bijzondere aan onze hoge levensverwachting is dat we blijven leven lang nadat we zelf kinderen hebben gekregen. Biologisch gezien is dat een raar verschijnsel. Hoewel dat we onze taak in de levenscyclus hebben vervuld, blijven we nog ruim veertig jaar in leven. Dat ligt niet alleen aan onze moderne voeding en geneeskunde. Ouderen maken al sinds mensenheugenis deel uit van de samenleving.

Een deel van onze lange levensduur is biologisch te verklaren door het feit dat mensen langer nodig hebben om volwassen te worden dan de meeste andere zoogdieren. Onze complexe sociale structuur vereist een lange periode van leren en ontwikkelen voordat we zelfstandig kunnen overleven. Hetzelfde zien we bij olifanten en walvissen: ook zij worden pas na een jaar of tien volwassen.

Ook voor het feit dat we blijven leven nadat we zelf kinderen hebben gekregen, hebben wetenschappers een verklaring. Mensen blijven gemiddeld leven totdat hun kleinkinderen volwassen zijn. Zo kunnen ze theoretisch gezien een bijdrage leveren aan het grootbrengen van hun kleinkinderen, bijvoorbeeld door voor hen te zorgen terwijl de ouders werken, maar ook door kennis en vaardigheden aan hen over te brengen. Zo vergroten ze de overlevingskans van hun kleinkinderen, en dragen ze bij aan het vergroten van hun eigen nageslacht – biologisch gezien het hoogste doel van een individu. Onderzoek bij verschillende Afrikaanse stammen wijst uit dat deze strategie inderdaad werkt: kinderen met grootouders hebben een grotere kans volwassen te worden dan kinderen zonder grootouders. Hetzelfde is vastgesteld bij olifanten en walvissen. Ook deze soorten kennen een hechte sociale structuur en een lange levensduur. In de moderne westerse samenleving kunnen veel grootouders deze functie echter niet vervullen, omdat hun kleinkinderen vaak ver weg wonen.

[k1]Cellen blijven niet eeuwig delen[/k1]

Het menselijk lichaam is een wonderbaarlijke machine. Gaat er iets kapot, dan wordt het meestal vanzelf gerepareerd. Ons lichaam kan gapende wonden en complexe botbreuken laten genezen, en zelfs hele ruimten opvullen met nieuw huid-, spier- of botweefsel. Ook als we niet gewond zijn, worden onze lichaamscellen voortdurend vervangen. Bij de huid gaat dat het snelst. Wie over zijn arm wrijft, ziet als hij goed kijkt een wolk van dode huidcellen wegvliegen. Deze hebben plaatsgemaakt voor nieuwe cellen, die worden aangemaakt in de onderste lagen van de opperhuid. Zo wordt onze gehele opperhuid iedere drie dagen vervangen. Hetzelfde geldt voor onze bloedcellen. Iedere seconde komen er wel 2,5 miljoen nieuwe bij en wordt eenzelfde aantal afgebroken. Al met al wordt ons gehele lichaam grofweg elke tien jaar vervangen door nieuwe cellen. De enige cellen die we ons hele leven met ons meedragen, zijn bepaalde hersencellen en – bij vrouwen – de onrijpe eicellen in de eierstokken.

Onsterfelijk zijn we echter allerminst. Al vanaf ons twintigste treedt het verval in. Het vervangen van cellen kan blijkbaar niet onbeperkt doorgaan. Langzaam maar zeker wordt het lichaam minder perfect, totdat het begint te haperen en er uiteindelijk mee ophoudt. Hoe kan dat? Waarom kunnen cellen niet eeuwig worden vervangen en weefsels worden vernieuwd?

[k2]Genetische kopieerfoutjes[/k2]

Over het precieze antwoord op deze vragen zijn wetenschappers het oneens. Er zijn verschillende theorieën, en veel deskundigen denken dat een combinatie van factoren een rol speelt. In elk geval ligt het antwoord diep verscholen in de cellen van ons lichaam. Zij delen zich voortdurend in tweeën, waarbij de genetische informatie wordt gekopieerd en over de twee dochtercellen wordt verdeeld. Een eerste theorie schrijft het verouderen toe aan piepkleine foutjes die bij het kopiëren optreden. Bij de eerste paar kopieën maakt dat niet uit. Echter, als het delen maar lang genoeg doorgaat, stapelen de fouten zich opeen en worden ze zichtbaar. Celprocessen worden dan verstoord. Cellen en weefsels lopen daardoor schade op en houden op met functioneren.

[k2]Beschadiging van buitenaf[/k2]

Volgens een tweede theorie loopt onze genetische informatie dagelijks schade op, bijvoorbeeld door ultraviolette straling van de zon en door sigarettenrook, maar ook doordat er in ons lichaam allerlei reactieve moleculen, of radicalen, circuleren. Deze radicalen ontstaan door alledaagse reacties in ons lichaam, zoals vertering en ademhaling. Dit type beschadiging kunnen we beperken door minder in de zon te zitten, niet te roken en stoffen te eten die de radicalen onschadelijk maken. Deze stoffen, zogenoemde anti-oxidanten, komen veel voor in groente en fruit. Onderzoek wijst ook uit dat we de slijtage kunnen voorkomen door simpelweg minder te eten. Deze inzichten zijn verwerkt in allerlei anti-verouderingsdiëten.

[k2] Aangeboren oorzaken[/k2]

De genetische achtergrond van veroudering is zeer complex. Er is in elk geval niet slechts één gen dat verantwoordelijk is voor veroudering. Wel zijn er twee menselijke genen waarvan is aangetoond dat ze iets met veroudering te maken hebben. Het eerste gen, apolipoproteïne E ofwel apo-E, is gerelateerd aan een eiwit dat een rol speelt bij vettransport door het lichaam. Veel mensen die een extreem hoge leeftijd bereiken, hebben een mutatie in dit gen waardoor zij een iets andere vorm van dit eiwit produceren. Daardoor zijn zij minder gevoelig voor een verhoogd cholesterolgehalte, bepaalde hartziekten en de ziekte van Alzheimer. Het andere gen, LMNA, kent juist een mutatie die extreem snelle veroudering veroorzaakt. Dit gen is gerelateerd aan een eiwit dat de menselijke celkern zijn stevigheid verleent. Mensen bij wie dit gen gemuteerd is, verouderen ongeveer tienmaal sneller dan gezonde mensen. Deze aandoening heet progeria, wat Grieks is voor ‘versneld ouder worden’. Op zesjarige leeftijd zien progeriapatiëntjes er bejaard uit en gemiddeld worden zij niet ouder dan dertien jaar. De ziekte komt slechts voor bij een op de acht miljoen kinderen. In Nederland was er in 2006 één patiëntje bekend.

[chap k1]Het oudere lichaam[/chap k1]

[k1] Steeds kwetsbaarder[/k1]

Naarmate we ouder worden, voltrekken zich in ons lichaam allerlei veranderingen. Veel ervan hebben te maken met slijtage, of het nu gaat om gewrichten of om hersencellen. Dat maakt het oudere lichaam extra gevoelig voor bepaalde ziekten. De bekendste ouderdomsgerelateerde ziekten zijn de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson, reuma, hart- en vaatziekten en kanker. Doordat deze ziekten steeds beter te behandelen zijn en mensen steeds langer leven, zal een steeds groter deel van de bevolking met deze ziekten te maken krijgen. Verreweg de meeste ouderen die een natuurlijke dood sterven, overlijden aan een van de bovengenoemde ziekten. Het komt slechts heel zelden voor dat iemand zo lang zonder ouderdomsziekten blijft leven dat zijn hart er simpelweg mee ophoudt.

[k1]Hersenen[/k1]

Onze hersenen zijn zonder twijfel het meest mysterieuze orgaan in ons lichaam. Wetenschappers weten maar een fractie van wat er zich in die grijswitte massa afspeelt en waar elk hersengebied voor dient. Elke dag worden er nieuwe ontdekkingen gedaan die de raadsels van het menselijk functioneren helpen oplossen.

Menselijke hersenen bestaan uit ruim honderd miljard zenuwcellen en wegen gemiddeld 1 tot 1,5 kg. Deze klomp stuurt ons hele lichaam aan, variërend van onze bewuste en onbewuste bewegingen tot onze zintuigen, maar ook processen zoals ademhaling, lichaamstemperatuur en bloeddruk. Bovendien zijn onze hersenen de drijvende kracht achter bijvoorbeeld logisch denken, plannen, emotie en geheugen.

Vanaf de puberteit neemt het aantal hersencellen sterk af. Recent onderzoek toont echter aan dat – in tegenstelling tot wat altijd werd verondersteld – er ook gedurende een mensenleven nieuwe hersencellen worden gevormd, zelfs op hogere leeftijd. Toch neemt het totale hersengewicht tussen twintig- en negentigjarige leeftijd met vijf tot tien procent af. Hoewel men er tot voor kort van uitging dat geheugenverlies samenhangt met het verlies van hersencellen, denkt men nu dat het ingewikkelder ligt. Men veronderstelt dat veranderende chemische processen in de hersenen een grotere rol spelen bij geheugenverlies dan het afsterven van hersencellen.

[k2]Ziekte van Alzheimer[/k2]

Verschillende vormen van geheugenverlies worden gezamenlijk aangeduid met de term dementie. In Nederland lijden rond 250.000 mensen aan deze aandoening. De meest bekende en ernstige vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer. Deze openbaart zich meestal tussen de leeftijd van zeventig en tachtig jaar, maar soms veel eerder. Bij jonge mensen verloopt het ziektebeeld veel sneller dan bij oude mensen. De ziekte kenmerkt zich door verlies van korte- en langetermijngeheugen, verwardheid, stemmingswisselingen, persoonlijkheidsveranderingen en problemen bij het spreken. De hersenen van alzheimerpatiënten krimpen sterker dan die van gezonde ouderen. Bovendien vertonen ze abnormale hoeveelheden plaques; dat zijn samenklonteringen van zogenoemde amyloïdeiwitten en dode hersencellen. Ook vertonen ze kluwen van andere eiwitvezels. Wat de plaques en kluwen veroorzaakt, en hoe zij de hersenfunctie aantasten, is niet precies bekend. Sommige wetenschappers vermoeden dat het niet de plaques en de kluwen zelf zijn die de hersenfunctie aantasten, maar de afweerreactie die het lichaam ertegen vertoont. Die zou niet alleen de plaques en kluwen beschadigen, maar ook gezonde hersencellen. Anderen denken dat de plaques slechts een reactie zijn op bepaalde schadelijke eiwitten. In elk geval is er nog geen behandeling mogelijk tegen de ziekte van Alzheimer. Er zijn wel medicijnen op de markt die de achteruitgang bij bepaalde patiënten kunnen vertragen. De ziekte is uiteindelijk dodelijk.

[k2]Ziekte van Parkinson[k2]

Een andere bekende ouderdomsgerelateerde aandoening die zijn oorsprong vindt in de hersenen, is de ziekte van Parkinson. De meeste parkinsonpatiënten ervaren de eerste symptomen tussen de leeftijd van vijftig en zestig jaar, maar bij een op de tien patiënten begint de ziekte aanmerkelijk eerder. Parkinson kenmerkt zich door sterk trillende handen, pijnlijk stijve spieren, een starre gezichtsuitdrukking en schuifelend lopen in voorovergebogen houding. Net zoals bij de ziekte van Alzheimer is van de ziekte van Parkinson de oorzaak niet bekend. De symptomen worden echter veroorzaakt door het afsterven van hersencellen in het deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor de productie van de stof dopamine. Dopamine is een neurotransmitter: een stof die signalen doorgeeft van de ene zenuwcel naar de andere. Bij parkinsonpatiënten is de productie van dopamine verstoord. Daardoor worden zenuwsignalen niet meer goed doorgegeven en wordt de aansturing van spieren bemoeilijkt. De ziekte is niet dodelijk. Parkinsonpatiënten leven gemiddeld even lang als gezonde mensen. De ziekte is wel ongeneeslijk. Er bestaan alleen medicijnen die de symptomen tijdelijk bestrijden.

[k1]Botten en gewrichten[/k1]

[k2]Osteoporose[/k2]

Met het verstrijken van de jaren worden botten steeds minder stevig. Bij alle oude mensen worden de botten geleidelijk poreuzer door een proces dat we osteoporose of botontkalking noemen. Daarnaast worden er op latere leeftijd verhoudingsgewijs meer botcellen afgebroken dan aangemaakt. Een onschuldige valpartij leidt bij ouderen dan ook vaak tot een gebroken heup of pols. Vrouwen lopen een groter risico dan mannen. Hun veranderende hormoonhuishouding na de menopauze draagt bij aan het brozer worden van de botten. Ook roken, overmatig alcoholgebruik en een gebrek aan lichaamsbeweging versnellen osteoporose. Het slikken van extra kalk en vitamine D kan dit proces echter vertragen.

[k2]Gewrichtsslijtage[/k2]

Ook de gewrichten vormen een zwakke plek in het skelet van de oudere mens. Gewrichten zijn al vanaf de late tienerjaren aan slijtage en afbraak onderhevig. Het merendeel van de gewrichtsaandoeningen, ongeveer honderd verschillende, valt samen onder de noemer reuma. De bekendste vorm daarvan is ontstekingsreuma: een kwaal waar ruim 380.000 Nederlanders aan lijden. Ontstekingsreuma is zelf ook onder te verdelen in meerdere aandoeningen, waaronder reumatoïde artritis. Deze vorm van gewrichtsontsteking ontstaat door een ontregeling in het afweersysteem van het lichaam. De meest voorkomende vorm van reuma is echter artrose. Daar hebben in Nederland circa 650.000 mensen last van. Artrose ontstaat wanneer de beschermende kraakbeenlaag van een gewricht is doorgesleten, waardoor de botten over elkaar heen gaan schuren. Daarbij ontstaan soms verbeende richels en uitsteeksels. Dat kan zo pijnlijk worden dat een patiënt een gewricht niet meer kan bewegen of belasten. Naast slijtage spelen bij artrose ook andere processen een rol, zoals hormonale veranderingen. Over de oorzaak van artrose is echter nog steeds weinig bekend. Zo weet niemand hoe het kan dat er 25.000 jonge mensen tussen 25 en 44 jaar aan artrose lijden. Een derde vorm van reuma is wekedelenreuma, een verzamelnaam voor aandoeningen van weefsels zoals gewrichtskapsels, spieren, pezen, banden, slijmbeurzen en tussenwervelschijven. Aangezien de symptomen zo divers zijn, is het lastig voor deze vorm van reuma een diagnose te stellen. Ook weet men weinig over de oorzaken van deze aandoeningen, en er is vaak weinig tegen te doen. Naar schatting hebben in Nederland minstens een half miljoen mensen last van deze vorm van reuma.

[k2]Niet goed ter been[/k2]

Al deze veelvoorkomende skeletaandoeningen zijn veelal onbegrepen en niet te genezen. Ze veroorzaken voor veel oude mensen een serieuze belasting: vaak zijn de aandoeningen zeer pijnlijk en beperken ze de bewegingsvrijheid aanzienlijk. ‘Niet goed ter been zijn’ is een van de voornaamste oorzaken van het feit dat ouderen vaak niet meer de deur uit komen, afhankelijk worden van anderen en soms ook vereenzamen.

[k1]Hart en bloedvaten[/k1]

In Nederland zijn hart- en vaatziekten met bijna eenderde van alle sterfgevallen de belangrijkste doodsoorzaak. Dit is echter aan het veranderen, omdat kanker een steeds belangrijkere oorzaak van overlijden wordt. Bij mannen is kanker inmiddels al doodsoorzaak nummer één geworden. In 2005 stierven 21.200 mannen aan kanker en 20.800 aan hart- en vaatziekten. Het feit dat het percentage sterfgevallen als gevolg van hart- en vaatziekten afneemt, is te danken aan betere preventie en aan betere geneesmiddelen en behandelingsmethoden.

Het hart is de spierpomp die het hele lichaam van bloed voorziet. Het klopt in een gemiddeld mensenleven ongeveer twee tot drie miljard keer. Dat is geen geringe taak; het is dan ook niet verwonderlijk dat onze ‘rikketik’  wel eens hapert, vooral op oudere leeftijd. Zo hebben veel ouderen last van hartritmestoornissen, die op zichzelf niet ernstig hoeven zijn, maar die soms hartkloppingen of flauwten kunnen veroorzaken.

[k2]Vernauwde kransslagaderen[/k2]

Doordat het hart zo hard moet werken, heeft het zelf veel zuurstof en voedingsstoffen nodig. Daarom is het voorzien van een dicht netwerk van bloedvaten, de kransslagaderen, die de eigenlijke hartspier van bloed voorzien. In de loop van een mensenleven raken de kransslagaderen op sommige plekken vernauwd. Dat komt doordat de gladde binnenbekleding van slagaderen, dus ook die in het hart, hier en daar beschadigd raakt door bijvoorbeeld een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte, roken of een infectie. Op de plek van de beschadiging vormt zich dan een samenklontering, of plaque, die bestaat uit bloedplaatjes, witte bloedcellen en cholesterol. Na verloop van tijd zet zich in deze plaque ook kalk af; vandaar dat we spreken van slagaderverkalking of atherosclerose.

Wordt een kransslagader te nauw, dan kan een gedeelte van het hart zuurstofgebrek krijgen, vooral bij inspanning. Dat veroorzaakt dan druk of pijn op de borst: angina pectoris. Soms gebeurt het dat een plaque die elders in het lichaam is ontstaan, losschiet en in de bloedbaan terechtkomt. Zo’n propje kan een kransslagader geheel of gedeeltelijk verstoppen. In een dergelijk geval krijgt dat gedeelte van het hart te weinig zuurstof en sterft af. Dan is er sprake van een hartinfarct. Hetzelfde kan in de hersenen gebeuren; dan spreken we van een herseninfarct of beroerte. De ernst van een hart- of herseninfarct hangt af van de grootte en de plaats ervan.

Meestal worden patiënten met angina pectoris of een hartinfarct geholpen met medicijnen. Die verlagen vaak de bloeddruk en het cholesterolgehalte. Sommige medicijnen lossen bloedpropjes op; andere verminderen de zuurstofbehoefte van het hart. Helpt dat onvoldoende, dan kan een dotterbehandeling uitkomst bieden. Daarbij wordt er een buisje in de vernauwde slagader ingebracht met aan het uiteinde een ballonnetje. Dat ballonnetje is één tot vier centimeter lang en heeft in opgeblazen toestand een doorsnee van twee tot vijf millimeter. Het ballonnetje drukt de plaque of de bloedprop plat, waardoor er weer bloed door de slagader kan stromen. Soms moet deze behandeling na een aantal jaren worden herhaald. In ernstigere gevallen is soms een bypass- of omleidingsoperatie noodzakelijk. Daarbij wordt een ander bloedvat gebruikt om de bloedstroom om het verstopte gedeelte heen te leiden.

[k2]Trombose[/k2]

Ook in het vaatsysteem zelf kunnen op latere leeftijd problemen optreden. Een vaak voorkomende ouderdomskwaal is bijvoorbeeld trombose. Trombose ontstaat wanneer een bloedstolsel een ader verstopt, waardoor het omliggende weefsel te weinig zuurstof krijgt. Vaak treedt dit op in de benen, vooral als men langere perioden achter elkaar stilzit of -ligt. Dat is bij oudere mensen vaker het geval dan bij jongeren. De gevoeligheid voor trombose wordt beïnvloed door bepaalde hormonen, medicijnen, maar ook door erfelijkheid. Als een trombosestolsel losschiet, kan het in de longen terechtkomen waardoor longweefsel plaatselijk zuurstofgebrek krijgt en afsterft. In dat geval spreken we van een longembolie.

[k2]Spataderen[/k2]

Ook spataderen treden vaak op oudere leeftijd op. Spataderen ontstaan doordat het bloed in de aderen van de benen niet goed wil terugstromen naar het hart. Normaal gesproken voorkomen kleppen in de aderen dat het bloed onder invloed van de zwaartekracht terugstroomt. Zijn deze kleppen echter door slijtage beschadigd, dan blijft er te veel bloed in de benen hangen. Daarbij kunnen de aderen gaan uitrekken of zelfs uitstulpen. Dan spreken we van spataderen. Ze ontstaan vooral bij mensen die langere tijd achtereen staan of zitten zonder voldoende lichaamsbeweging. Tijdens het lopen helpen de beenspieren namelijk het bloed omhoog te persen, terug naar het hart. Spataderen veroorzaken over het algemeen weinig klachten. Steunkousen kunnen helpen voorkomen dat spataderen zich uitbreiden. In ernstige gevallen kan een operatie uitkomst bieden.

[k1]Onder de gordel[/k1]

Een categorie aandoeningen waar vrijwel alle ouderen mee te maken krijgen, maar waar nog altijd een taboe op rust, zijn de zogeheten urogenitale aandoeningen: kwalen die te maken hebben met naar het toilet gaan en met vrijen. Deze aandoeningen zijn heel divers van karakter, maar ze hebben één ding gemeen: ze veroorzaken vaak een grote mate van schaamte en beperking van de bewegingsvrijheid. Toch zijn veel urogenitale aandoeningen geheel of gedeeltelijk te verhelpen. In ieder geval is het goed te weten dat men beslist niet de enige is, en dat problemen onder de gordel evenzeer horen bij het ouder worden als bijvoorbeeld problemen met lopen.

[k2]Incontinentie[/k2]

Een van de meest voorkomende urogenitale aandoeningen is ongewenst urineverlies, of incontinentie. Naar schatting hebben circa 800.000 Nederlanders hiermee te maken; tweederde van hen is ouder dan 45 jaar. Er zijn dus ook veel jonge mensen die ongewenst urine verliezen.

Er zijn verschillende vormen van incontinentie, die vaak in combinatie met elkaar optreden. De meest voorkomende vorm is inspanningsincontinentie. Als iemand niest, lacht of iets zwaars optilt, kan het zijn dat de sluitspier de plotselinge drukverhoging in de blaas niet aankan en daardoor urine doorlaat. De oorzaak hiervan is dat de bekkenbodemspieren niet sterk genoeg zijn. Vrouwen hebben hier vaker last van dan mannen, zeker wanneer zij kinderen hebben gekregen. Tijdens een bevalling worden de bekkenbodemspieren namelijk sterk opgerekt. Het trainen van de bekkenbodemspieren kan de klachten helpen verminderen. Een andere vorm van incontinentie is aandrangincontinentie. Daarbij trekt de blaas zich plotseling samen, waardoor men opeens erge aandrang voelt en vaak het toilet niet op tijd bereikt. Zowel mannen als vrouwen hebben hier op latere leeftijd vaak last van. De oorzaak kan een urineweginfectie zijn, of, bij mannen, een vergrote prostaat. Daarnaast speelt erfelijke aanleg een rol en kan het drinken van cafeïnehoudende dranken de kwaal verergeren. Een vorm van incontinentie die hoofdzakelijk bij mannen voorkomt, is druppelincontinentie. Hierbij is de blaas vol zonder dat de persoon het merkt, en verliest men druppelsgewijs urine. Aandoeningen zoals een dwarslaesie of de ziekte van Alzheimer kunnen tot druppelincontinentie leiden, maar de meest voorkomende oorzaak is een vergroting van de prostaat.

[k2]Prostaatvergroting[/k2]

De prostaat is een klier die bij een zaadlozing vocht afscheidt dat samen met het sperma naar buiten komt. Het prostaatvocht houdt de zaadcellen langer in leven in het lichaam van de vrouw. Dit onmisbare orgaan zorgt echter bij veel oudere mannen voor problemen. Op latere leeftijd is de prostaat vaak wel dertig procent groter dan op jonge leeftijd. Ook is dit orgaan een plaats waar veel mannen kanker ontwikkelen. In beide gevallen kan de prostaat de urineleider gaan blokkeren of druk uitoefenen op zenuwen die een rol spelen bij plassen en bij vrijen. Mannen met een vergrote prostaat hebben daarom, naast urineverlies, vaak last van erectieproblemen. Soms kunnen bepaalde medicijnen de prostaat helpen verkleinen. In uiterste gevallen, zeker in geval van kanker, kan de prostaat deels of in zijn geheel worden verwijderd.

[k2]Seksualiteit[/k2]

Een andere oorzaak van erectieproblemen bij mannen is het feit dat de productie van het mannelijke geslachtshormoon testosteron geleidelijk afneemt. Ook vrouwen ervaren op latere leeftijd veranderingen in hun hormoonhuishouding die de seksualiteit beïnvloeden. Bij hen begint dat eerder dan bij mannen: direct na de overgang. Dan stopt de productie van het vrouwelijke geslachtshormoon progesteron. Veel vrouwen merken dit doordat zij minder zin hebben om te vrijen. Ook wordt het slijmvlies van de vagina op latere leeftijd dunner, droger en minder elastisch, waardoor vrijen soms pijnlijk is.

Toch hoeven deze veranderingen een bevredigend seksleven niet in de weg te staan. Veel ouderen ervaren op hogere leeftijd een grotere mate van intimiteit en vertrouwdheid met hun partner, en een minder grote drang om te ‘presteren’. Ook zonder de daadwerkelijke geslachtsgemeenschap kunnen zij ten volle van seks genieten. Met een gezonde dosis geduld, liefde, gevoel voor humor en wellicht een glijmiddel kunnen veel ouderen daarom probleemloos tot op zeer hoge leeftijd seksueel actief blijven.

[chap k1]De oudere mens in zijn omgeving[/chap k1]

[k1]Tegenstrijdige situaties[/k1]

Ouder worden is minstens net zo ingrijpend en verwarrend als de puberteit. Geleidelijk, maar even vaak plotseling, krijgen ouderen te maken met aanzienlijke lichamelijke, praktische en sociale veranderingen. Over het algemeen nemen de gezondheid, de onafhankelijkheid én het sociale netwerk in de loop van de oude dag geleidelijk af. Dat leidt vaak tot tegenstrijdige situaties, waarin men juist als men de meeste hulp nodig heeft, het kleinste sociale vangnet en de minste flexibiliteit heeft. De manier waarop ouderen en hun omgeving daar samen mee omgaan, bepaalt in sterke mate wat ouderen nog met hun leven kunnen doen en hoe ze zich daarbij voelen.

[k1]Praktische gevolgen[/k1]

Gemiddeld genomen worden ouderen minder mobiel en daardoor minder zelfstandig. Op een bepaald moment hebben veel mensen hulp nodig bij het boodschappen doen, en uiteindelijk zelfs bij het wassen, aankleden, eten en naar het toilet gaan. Ouder worden vergroot dus de afhankelijkheid. Na hun hele volwassen leven voor anderen te hebben gezorgd, moeten ouderen op hun beurt hun lot in handen van anderen leggen. Vaak hebben ouderen daar moeite mee. ‘Ik kan nog best autorijden! Laat mij die boodschappen nou maar zelf doen!’ Als oma dan voor de zoveelste keer met haar auto tegen een paaltje rijdt, of alweer het gas na het koken heeft laten aanstaan, moet ze uiteindelijk toegeven dat ze wellicht maar beter wat zelfstandigheid kan inleveren.

[k2]Mantelzorg of verzorgings-/verpleeghuis[/k2]

Veel mensen denken bij het inleveren van zelfstandigheid als eerste aan een verzorgingshuis. Het merendeel van de oudere Nederlanders, rond 96 procent, woont echter nog altijd zelfstandig. Van hen heeft 38 procent last van lichamelijke beperkingen, en ontvangt 14 procent hulp aan huis. De meeste hulp wordt nog altijd verleend door familie of vrienden. In dat geval spreken we van mantelzorg. Jaarlijks verlenen 3,7 miljoen Nederlanders mantelzorg; 2,4 miljoen van hen doen dat meer dan acht uur per week of langer dan drie maanden. Gemiddeld zorgt een mantelzorger 19 uur per week voor een hulpbehoevende naaste.

Wordt de mantelzorg echter te veel, of heeft een oudere geen vrienden of familie in zijn directe omgeving, dan komt diegene in aanmerking voor een verzorgings- of verpleeghuis. Er is echter meer vraag naar een plaats dan er aanbod is. De gemiddelde wachttijd voor een verzorgingshuis is meer dan een jaar. Momenteel wonen in Nederland circa 100.000 ouderen in een verzorgings- of verpleeghuis.

[k1]Psychosociale gevolgen[/k1]

Hoe een mens zijn oude dag beleeft, verschilt sterk van persoon tot persoon. De een is lichamelijk een wrak maar gaat fluitend door het leven, terwijl de ander nog kerngezond is maar nergens meer zin in heeft. Toch is het zo dat er meestal een relatie is tussen iemands lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Een verandering waar vrijwel alle ouderen, ziek of gezond, mee te maken krijgen, is het feit dat steeds meer leeftijdsgenoten om hen heen overlijden. Soms overlijden zelfs de eigen kinderen. Het sociale netwerk van een oudere wordt daarom niet alleen kleiner doordat de mobiliteit afneemt, maar ook doordat de sociale omgeving deels wegvalt.

[k2]Machteloosheid en depressie[/k2]

Veel ouderen ervaren in hun oude dag een gevoel van machteloosheid. Ze kunnen hun hobby’s vaak niet meer beoefenen, kunnen moeilijk reizen, en ervaren hun hulpbehoevendheid als beklemmend en mensonterend. Doordat ze nieuwe indrukken minder snel verwerken dan jonge mensen en vaak ook slechter zien en horen, voelen ze zich in sociale situaties, zoals in grotere gezelschappen, of in praktische situaties, zoals bij een pinautomaat, simpelweg gehandicapt.

Al met al zijn de psychosociale gevolgen van ouder worden groot. Veel ouderen belanden daarom in een depressie, een toestand die in deze leeftijdsgroep relatief het vaakst voorkomt. Van alle mannelijke 65-plussers is 28 procent depressief; bij vrouwen is dat maar liefst 65 procent. Vaak krijgen ouderen daarom antidepressiva voorgeschreven. Die helpen echter zelden, omdat de lichamelijke en sociale situatie vaak alleen maar verslechtert. Helaas is in ons overbelaste zorgsysteem niet altijd genoeg tijd en geld beschikbaar om de psychosociale problemen van ouderen structureel aan te pakken, namelijk door ouderen actief te helpen weer van het leven te genieten.

[k2]Eruit halen wat erin zit[/k2]

Een vrolijke en zinvolle oude dag hoeft niet per se een utopie te zijn. Ouder worden biedt unieke kansen en mogelijkheden, en dat is iets wat steeds meer ouderen zich realiseren. Het blijkt bovendien dat mensen die zelf positief in het leven staan, langer leven en geluk als het ware over zichzelf afroepen (zie kader Veroudering in eigen hand). Ook actief blijven maakt het leven plezieriger. Er zijn steeds meer praat- en leesgroepen, sportactiviteiten, lezingen, cursussen en reizen waaraan ouderen, ook met lichamelijke beperkingen, tot op hoge leeftijd kunnen deelnemen.

Veel ouderen vinden dat ouder worden ook zo zijn voordelen heeft. Genieten van kinderen en kleinkinderen staat met stip op nummer één, maar ook kinderloze ouderen ervaren hun oude dag vaak als een rijke periode. Gesterkt door kennis en levenservaring bekijken ouderen de wereld om zich heen met een realistische en praktische blik. Ze spelen bovendien vaak een belangrijke rol in het leven van familieleden en vrienden en in hun gemeenschaps- en verenigingsleven. Daaraan ontlenen ze niet alleen energie en positieve feedback, maar vooral ook een gevoel van zingeving, eigenwaarde en zelfvertrouwen waar veel jongeren niet aan kunnen tippen. Na een zinvol werkend leven én een zinvolle oude dag kunnen zij met recht zeggen dat ze het leven ten volle hebben benut. ‘Eruit halen wat erin zit’ is lang geen slecht levensmotto.

 

[kader]

Veroudering in eigen hand

Ouderen worden gemiddeld steeds actiever en initiatiefrijker. Onderzoek wijst uit dat zij daarmee hun eigen gezondheid en welzijn positief kunnen beïnvloeden. Veroudering is niet alleen een proces dat men passief moet ondergaan. Men heeft zijn verouderingsproces tot op zekere hoogte zelf in de hand.

Een gezond leven vergroot de kans op een gezonde oude dag. Iemand die zijn hele leven gezond heeft gegeten, niet heeft gerookt, matig heeft gedronken en regelmatig heeft gesport, al is het maar een dagelijkse wandeling, maakt een goede kans op een lang en vitaal leven. Lichaamsbeweging is bovendien niet alleen goed voor lijf en leden, maar ook voor het geheugen. Daarnaast zorgt lichamelijke activiteit voor het vrijkomen van bepaalde hormonen, genaamd endorfinen, waardoor een mens zich beter en gelukkiger gaat voelen.

Ook een actieve geest draagt bij aan gezondheid en welzijn. Ouderen die zichzelf regelmatig trainen met spelletjes zoals Memory of met kruiswoordpuzzels, en die regelmatig kranten en boeken lezen, blijken langer over een scherp geheugen te kunnen beschikken dan mensen die dat niet doen.

Onlangs heeft een Nederlandse studie ook een relatie aangetoond tussen levensinstelling en levensduur. Mensen met een optimistische kijk op het leven worden gemiddeld ouder dan brompotten. Een groot experiment bij ouderen in Amerika toonde bovendien aan dat levensvreugde wel degelijk te beïnvloeden is. Een groep ouderen onderging een praktische therapie om ‘het leven weer in eigen hand te nemen’ en de zaken positiever te bekijken. De onderzoekers merkten dat hun proefpersonen het gevoel van controle over hun leven terugkregen. Al met al verbeterde het welzijn van deze groep mensen aanzienlijk.

Een andere Amerikaanse studie onderzocht het effect van negatief of juist positief denken op het geheugen. De onderzoekers confronteerden oudere proefpersonen met negatieve termen die te maken hebben met ouder worden, zoals zwak, verward en seniel, en namen hen vervolgens een geheugentest af. Ze deden hetzelfde met woorden als vaardig, actief en gerespecteerd. Het bleek dat de ouderen in het eerste geval veel slechter presteerden dan in het tweede geval. De onderzoekers concludeerden dat positieve ouderen beter functioneren, en trokken de conclusie door naar de omgeving van de ouderen. Ze suggereerden dat wanneer ouderen worden behandeld als volwaardige leden van de samenleving, ze vanzelf aan die verwachting zullen voldoen, en andersom: als we ouderen behandelen als hulpeloze lastpakken, dan worden ze dat ook.

 

[kader]

Een vergrijzende samenleving

De Nederlandse bevolking is sterk aan het vergrijzen. Dat wil zeggen dat er zich in de bevolking verhoudingsgewijs steeds meer ouderen bevinden. In 2006 waren er 2,4 miljoen 65-plussers; in 2038 zijn dat er naar verwachting 4,3 miljoen. Dan is een kwart van de zeventien miljoen Nederlanders 65 jaar of ouder. De voornaamste reden voor die snelle toename is dat er vanaf 2010 opeens veel mensen met pensioen gaan: degenen die werden geboren tijdens de naoorlogse geboortegolf.

Een andere reden voor de toenemende vergrijzing is dat Nederlanders gemiddeld steeds langer blijven leven. In 1900 werden mannen gemiddeld 43,6 jaar oud en vrouwen 46,9 jaar. In vijftig jaar tijd steeg de gemiddelde levensverwachting naar 70,4 jaar voor mannen en 72,2 jaar voor vrouwen. In 2006 werden mannen gemiddeld 77,6 jaar en vrouwen 81,7 jaar. De verwachting is dat deze trend zal doorzetten: in 2050 worden mannen gemiddeld 81,5 jaar en vrouwen 84,2 jaar.

De grijze druk

Een veelgebruikte maatstaf voor de vergrijzing is de zogeheten grijze druk. Dit getal geeft aan hoeveel 65-plussers er zijn op elke honderd potentiële arbeidskrachten: mensen in de ‘productieve leeftijdsgroep’ van 20 tot 64 jaar. In 1950 bedroeg de grijze druk slechts 14 procent; in 2006 ging het om 23 procent. Naar verwachting zal de grijze druk in 2038 zijn gestegen tot 47 procent. Opvallend is dat de grijze druk in Nederland sterk verschilt per regio. Zeeland, de Veluwe en het noorden en noordoosten van Nederland hebben een hoge grijze druk. De gemeente Rozendaal scoort het hoogst met 48 procent. Almere heeft met 11 procent de laagste grijze druk van Nederland.

Aangezien de latere generaties gemiddeld minder kinderen kregen, zal de grijze druk na 2040 weer geleidelijk afnemen. Naar verwachting zal deze blijven schommelen rond 35 procent. Al met al zullen meer mensen de pensioenleeftijd bereiken en bovendien zullen gepensioneerden langer leven. Dit heeft grote gevolgen voor de organisatie en de kosten van onder meer AOW, pensioen, gezondheidszorg en ouderenzorg. Ook zullen er door de pensioengolf rond 2010 tekorten ontstaan in bepaalde sectoren van de samenleving. Werknemers in onderwijs, industrie en openbaar bestuur zijn bijvoorbeeld opvallend vaak ouder dan vijftig, terwijl de toestroom van jongeren naar deze sectoren achterblijft. Zij worden steeds vaker aangetrokken door het bedrijfsleven. Als in de komende jaren de oudere generaties in deze sectoren met pensioen gaan, zullen daar waarschijnlijk grote tekorten ontstaan.

 

[kader]

De alleroudsten

Nederlanders worden gemiddeld steeds ouder. Er zijn dan ook steeds meer mensen die de uitzonderlijke leeftijd van honderd jaar bereiken. In 1950 telde Nederland slechts veertig honderdplussers; op 1 januari 2005 waren het er maar liefst 1381. In de loop van 2004 was hun aantal met 91 toegenomen. Daarmee zijn de eeuwelingen procentueel de snelst groeiende leeftijdsgroep. Toch blijven zij zeer uitzonderlijk: slechts 1 op de 11.800 inwoners is de honderd gepasseerd.

Vijf van de zes honderdplussers zijn vrouw. Toch ligt het Nederlandse leeftijdsrecord voor mannen slechts vier jaar lager dan dat van vrouwen: 111 versus 115. Die beide leeftijdsrecords zijn sinds 1950 minder gestegen dan de gemiddelde levensverwachting. Die nam maar liefst toe met 7,2 jaar voor mannen en 9,5 jaar voor vrouwen. In 1950 stond het leeftijdsrecord voor mannen, gevestigd in 1899, echter al op 110 jaar, en voor vrouwen op 107 jaar.

Onderzoek wijst uit dat honderdplussers opvallend gezond zijn: ze hebben gemiddeld minder last van chronische ouderdomsziekten dan andere oudere leeftijdsgroepen. Dertig procent van hen voert als alleenstaande zelfstandig een huishouden, en drie procent is nog altijd getrouwd.

Het wereldleeftijdsrecord staat op naam van een Franse vrouw die 122 jaar oud werd. ’s Werelds oudste man werd 120. Tot voor kort woonde ’s werelds oudste, nog in levende zijnde persoon in Nederland. Zij overleed in 2005 en werd 115 jaar oud. Haar opvolger is een man uit Puerto Rico, die in 2006 115 jaar oud werd. Het wereldrecord van 122 jaar zal daarom voorlopig nog overeind blijven.

 

[kader]

Als het allemaal niet meer zo hoeft

Aan het einde van een mooi en rijk leven ervaren veel ouderen hun laatste levensjaren als een lijdensweg, of zelfs als een mensonwaardig drama van aftakeling, pijn en hulpeloosheid. Voor sommigen heeft het leven daarom simpelweg geen zin meer. Zij zouden het liefste ‘uit het leven stappen’. Het eigen leven beëindigen is echter allesbehalve gemakkelijk, zeker voor een hoogbejaarde. Er is de laatste jaren daarom veel gedebatteerd over een zogenoemde ‘pil van Drion’ of ‘laatstewilpil’, die iedere oudere zou kunnen verkrijgen bij een arts of bij de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE). Deze levensbeëindigende pil zou een oudere zelf kunnen innemen op een tijdstip dat hij of zij verkiest. Tegen dit plan is echter altijd veel weerstand geweest, en de pil is dan ook nog steeds hypothetisch. Tegenstanders vrezen dat mensen de pil wellicht te snel, in een vlaag van wanhoop of onder druk van familie zullen innemen, of dat anderen er misbruik van zullen maken.

Op zoek naar een menswaardig levenseinde kloppen veel ouderen daarom aan bij een arts. In beperkte gevallen kan een arts namelijk euthanasie toepassen: gecontroleerde levensbeëindiging door middel van een aantal injecties. Een andere mogelijkheid is dat de patiënt zichzelf doodt met middelen die door de arts zijn verstrekt. In beide gevallen moet de arts zich strikt houden aan de Nederlandse Euthanasiewet.

Euthanasiewet

Sinds 2002 is in Nederland de Euthanasiewet van kracht. Die wet omschrijft in welke gevallen een arts, zonder daarvoor te worden vervolgd, euthanasie mag toepassen of hulp bij zelfdoding mag verlenen. In principe blijven euthanasie en hulp bij zelfdoding dus strafbaar, tenzij aan een reeks strenge voorschriften is voldaan. Die voorschriften stellen onder meer dat er altijd sprake moet zijn van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. Verder moet er sprake zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De arts moet alle mogelijkheden en vooruitzichten met de patiënt bespreken en het moet duidelijk zijn dat er geen alternatieve oplossing voor de situatie bestaat. Voordat een arts overgaat tot euthanasie of hulp bij zelfdoding, moet hij of zij de mening van een tweede arts inroepen. Ten slotte moet de arts in het overlijdensrapport melden dat de patiënt een onnatuurlijke dood is gestorven. Een onafhankelijke toetsingscommissie beslist vervolgens of de behandelend arts juist heeft gehandeld. Een dergelijke commissie bestaat uit een jurist, een arts en een ethicus. Alleen in geval van twijfel zal deze commissie de zaak melden bij het Openbaar Ministerie. Dat zal dan bepalen of de behandelend arts moet worden vervolgd.

Geen recht op euthanasie

Wanneer een bejaarde patiënt levensmoe is, levert de Euthanasiewet echter in twee opzichten problemen op. Ten eerste is het voor een arts vaak lastig aan te tonen dat er sprake is van ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’ wanneer de klachten voornamelijk psychisch zijn. Bij een terminale kankerpatiënt is de beslissing voor de arts gemakkelijker. Ten tweede is het bij sommige oudere patiënten niet duidelijk of zij nog volledig wilsbekwaam zijn: ze kunnen bijvoorbeeld dement zijn, maar wel overduidelijk diep ongelukkig en klaar met leven. Als de arts er niet zeker van is dat de patiënt absoluut zelfstandig en weloverwogen zijn beslissing heeft genomen, dan zal hij het verzoek weigeren. Er bestaat in Nederland namelijk geen ‘recht op euthanasie’.


< Terug naar de voorproefjes
Copyright © 2010 - Alle rechten voorbehouden - Webdesign Laurens Mast Freelance Webdesign